Klappen in Pansjir-vallei

Schrijver Arnon Grunberg reist terug naar Afghanistan. Deze keer niet met het leger, maar met een vriend, Qader. Deel 2 van serie.

Qader (l) en Arnon in Afghaanse kledij. Links: mausoleum Massoud.Rechtsboven: Poseren met geweer van krijgsheer. Foto’s Arnon Grunberg, bewerking fotodienst NRC

Volgens de folder is het Park Star Hotel in de Yaftalistraat in Kabul de veiligste plaats (‘the securest place’). Er wordt zelfs gewag gemaakt van een bunker waar gasten en personeel in noodgevallen plaats kunnen nemen. In realiteit heeft het Park Star Hotel er alles aan gedaan zo onopvallend mogelijk te zijn om geen aandacht te trekken van de Talibaan. Veiligheid lijkt vooral een kwestie van alerte en genadige, dat wil zeggen niet corrupte, bewakers. Eerst passeer je een slagboom, dan wandel je door een slecht onderhouden straat naar een sluis, die eerder de indruk wekt toegang te verlenen tot een illegaal gokhol dan tot een hotel met westerse ambities. Wie de derde deur is gepasseerd, komt langs een provisorisch winkeltje waar tapijten en andere Afghaanse snuisterijen worden verkocht – meestal is de verkoper afwezig – en dan sta je in de lobby van het hotel.

Een paar dagen na onze aankomst begint in het Park Star Hotel een soort van kleinschalige vredesconferentie. Vertegenwoordigers van de Talibaan of zij die zich als vertegenwoordiger van de Talibaan uitgeven – dat is in Afghanistan moeilijk te zeggen – praten met vertegenwoordigers van de regering.

In de eetzaal van het Park Star Hotel wijst mijn Afghaanse vriend en gids Qader op de heren van de Talibaan en zegt: „Ze zouden helemaal gek worden als ze zouden weten dat ze naast een Jood zitten.”

Qader vertelt aan geïnteresseerde Afghanen dat ik me wil bekeren tot de islam en een Afghaanse vrouw zoek. Het verklaart mijn aanwezigheid en het is een verhaal waarin ik zelf steeds meer ga geloven. Hoewel de Afghanen lijken te beseffen dat er hier enige ironie in het spel is, wordt er positief gereageerd op mijn verlangen om een Afghaanse bruid te vinden. Soms zeggen ze: „Maar dan moet je je wel laten besnijden.”

Waarop ik antwoord: „Besneden ben ik al.”

Op een avond wijst Qader op een dame die alleen naast een straalkacheltje in de eetzaal zit te eten. Het hotel mag een eigen bunker hebben, de verwarming laat te wensen over. „Dat is een beroemde zangeres”, fluistert hij.

Hij schrijft een briefje, overhandigt dat aan de ober, die het aan de beroemde zangeres geeft, en dan laat ze ons weten dat we aan haar tafel mogen plaatsnemen. Qader is een charmeur.

Ze heet Shahla Zaland, woont in Californië, haar vader was een bekende Afghaanse zanger, ze is overgekomen om als jurylid van de Afghaanse televisieshow Afghan Star op te treden. Een programma dat wordt uitgezonden door TOLO, een televisiekanaal dat op westerse leest geschoeide televisie probeert te maken in Afghanistan. Tijdens de uitzending is ze de enige vrouw zonder hoofddoekje, vertelt ze ons trots. In het hotel bedekt ze haar haren wel, zij het niet helemaal.

Zaland is voor enkele maanden terug in Kabul, ze verblijft in het Park Star Hotel en brengt naar eigen zeggen haar dagen door met het bekijken van Turkse en Indiase soaps.

Qader vertelt dat toen hij ten tijde van de perestrojka in de Sovjet-Unie studeerde het volk daar werd afgeleid met de Braziliaanse soap getiteld Ook de rijken huilen.

In Shahla Zaland zie ik wat ik ook al in Qader zag: de volstrekte ontheemdheid van de vluchteling die overal een vreemdeling is geworden; in het land van herkomst, in het land van aankomst, en in alle landen ertussenin.

Een ander jurylid van de televisieshow, eveneens een beroemde zanger, Taher Shubab, komt bij ons aan tafel zitten. Hij woont in Duitsland en heeft de uitstraling van een man die begrijpt dat het leven behalve genot weinig te bieden heeft. Shuhab fluistert in mijn oor dat zijn vriendinnetje ook in het hotel verblijft – officieel zijn de Afghaanse zeden niet ingericht op buitenechtelijke avontuurtjes.

Shubab stelt ons voor de volgende dag met hem mee te reizen naar de Pansjir-vallei, waar hij van plan is een videoclip op te nemen. Een krijgsheer heeft Shubab uitgenodigd om dat bij hem in het dorp te doen.

Als we naar onze kamer lopen zegt Qader: „Ik had gehoopt dat je nee zou zeggen. De Pansjir-vallei, daar hebben de Russen hun Waterloo gevonden, daar zijn zelfs de Talibaan nooit helemaal doorgedrongen. Weet je wel waar we heengaan?”

„Is de krijgsheer bij wie we morgen op bezoek gaan erg wreed?”, luidt mijn wedervraag. Voor het eerst zie ik verbazing op Qaders gezicht. „Waarom worden mensen krijgsheer?”, vraagt hij en sluit de deur van zijn kamer.

Vroeg in de ochtend vertrekken we uit Kabul met de zanger en een chauffeur genaamd Haji Aghashirin, die voor de krijsheer Gul Haidar werkt, onze gastheer die dag. Een Afghaan die tegenwoordig in Hamburg woont en naar eigen zeggen de grootste producent van Afghaanse muziek is, gaat eveneens mee om de opnamen te maken.

Aan het einde van de ochtend arriveren we in het dorp in de Pansjir-vallei. Onderweg hebben we restanten van Russische militaire voertuigen gezien die men heeft laten staan ter herinnering aan de heroïsche strijd van de moedjahedien.

Vanaf de weg moeten we te voet een kwartier de berg op om bij het zomerhuis van Gul Haidar te komen. Alle mannen uit het dorp zijn voor deze gelegenheid opgetrommeld; de uitnodiging van een krijgsheer leg je niet naast je neer. Sommige mannen zitten op de grond, andere op tuinstoelen. Aan de muur hangen foto’s uit het militaire verleden van de krijgsheer. Ook zijn er veel foto’s te zien van Massoud, de krijgsheer en leider van de Noordelijke Alliantie die twee dagen voor 11 september 2001 door Belgische Al-Qaedastrijders is vermoord.

Een dorpeling vertelt: „Wij liepen soms zes uur op blote voeten over de berg om bermbommen tegen de Russen te plaatsen. Daar bij de rivier hebben we een keer honderd man verslagen.”

Over de krijgsheer Gul Haidar wordt gezegd: „Hij was de trouwste en beste commandant van Massoud.”

Als alle gasten er zijn, neemt Haidar het woord: „We zijn hier bijeen omdat deze man een artiest is uit de Pansjir-vallei en wij hem steunen.”

Op het dak van het zomerhuis van de krijgsheer wordt de videoclip opgenomen. De mannen dragen een destmal, een soort sjaal, die ook als zakdoek en servet wordt gebruikt, en een pakol, een hoofddeksel dat het midden houdt tussen een muts en een pet.

Shubab playbackt zijn liefdeslied, de dorpelingen klappen en playbacken mee.

Een dorpeling zegt: „Als we een Rus hadden gedood pakten we alles van hem af. Hun jassen kwamen uit Korea.” Hij wijst naar het dal. „Daar was een gigantische Russische militaire basis.”

De wreedheid van de Pansjir-vallei lijkt mij een vorm van aanpassing aan de wreedheid van de natuur en de onverschilligheid van de bergen, die hier prachtige namen hebben zoals ‘Teil van Oma’.

Een paar kilometer verderop bevindt zich het graf van Massoud, een gigantisch, megalomaan nooit ten einde gebouwd mausoleum.

Kijkend naar een van de foto’s zegt Qader: „Jij hebt wel iets van de jonge Massoud.”

Mij overvalt een pijnlijk verlangen om door deze mannen erkend te worden als een van hen.

Voor we weggaan houdt de krijgsheer nog een toespraak. Hij gaat op beschaafde wijze tekeer tegen Karzai, tegen Amerika, tegen Al-Qaeda, tegen de Talibaan, eigenlijk tegen iedereen, behalve tegen de Pansjir-vallei.

Hier betekent soevereiniteit nog iets, al was het maar de afwezigheid van een centrale autoriteit.

    • Arnon Grunberg