Fotograaf in crisistijd

Gisteren was ik voor de verandering weer eens met een fotograaf op pad. Voor een vakblad reisden we naar Nieuw Weerdinge, een dorp in Drenthe. Er woonde daar een man die een zelfgemaakte vrachtauto in de achtertuin had staan. Tien ongelukken à 75 euro per stuk en de digitale camera was terugverdiend We luisterden naar

Gisteren was ik voor de verandering weer eens met een fotograaf op pad. Voor een vakblad reisden we naar Nieuw Weerdinge, een dorp in Drenthe. Er woonde daar een man die een zelfgemaakte vrachtauto in de achtertuin had staan.

Tien ongelukken à 75 euro per stuk en de digitale camera was terugverdiend

We luisterden naar Radio 1 en mopperden op het nieuws. Hoewel er in zijn auto niet gerookt mocht worden was het een stuk gezelliger dan met jezelf onderweg te zijn.

De gedachten gingen terug naar een paar jaar geleden, toen er, of ik nu wilde of niet, altijd een fotograaf werd meegestuurd. Er zaten er tussen die ik erg goed vond, het gedwongen samenzijn leidde soms tot vriendschappen, maar er was ook een grauwe middelmaat waar ik me aan ergerde, al was het maar omdat ze veel meer verdienden dan ik.

„Zo, weer driehonderd euro”, zei er ooit een, nadat hij een minuut of tien op het knopje van zijn digitale camera had gedrukt. „Ik ga door, jij redt je wel?”

Veel van die fotografen zijn verdwenen. Opgelost met de tijdschriften waarvoor ze werkten. Pas geleden zag ik er een bezig op de Stadhouderskade in Amsterdam, waar hij verkeersborden fotografeerde. Er volgde een verhandeling waarvan je wist dat hij zou komen: steeds minder werk dat steeds slechter betaald werd en steeds meer concurrentie. Wat dat betreft was het met fotografen net als met taxichauffeurs: hoe slechter het ging, hoe meer mensen het wilden worden.

De fotograaf van gisteren had geen last van de crisis, maar zou niemand adviseren om nu nog fotograaf te worden.

Later die middag keken we de crisis recht in de bek. We zaten op campingstoelen in een keuken met vochtplekken op het plafond. De bouwer van de vrachtwagen bleek ongeneeslijk ziek.

Om geld bij te verdienen waren hij en de vrouw ook even fotograaf geweest. Ze vlogen de deur uit als ze op de politieradio hoorden van een ongeluk. De rekensom was: tien ongelukken à 75 euro per stuk en de digitale camera was terugverdiend.

„Maar er kwamen er steeds meer”, zei de vrouw. „Op het laatst stonden we met z’n achten bij zo’n auto, toen kregen we nog maar 35 euro per foto.”

In een poging om zich te onderscheiden was hij nog een keer op de traumahelikopter geklommen, maar rendabel wilde het niet worden.

Op de weg terug door het vlakke land zagen we bij het dorp Erm een groep wielrenners de bocht uit vliegen.

„Kiek dan, 35 euro”, zei ik.

We lieten het geld op straat liggen.