Een magische kijkdoos

The Grand Budapest Hotel

Wes Anderson is uitgegroeid tot hoofd van een vrolijke filmfamilie waar een paar dozijn acterende miljonairs zo graag bij wil horen dat ze vrijwel gratis naar exotische locaties reizen. Ditmaal naar het Oost-Duitse grensstadje Görlitz, waar een oud warenhuis tot filmset werd omgebouwd. Acteren is niet de uitdaging. Anderson houdt het vlak of grotesk en vraagt hooguit droogkomische timing.

Ditmaal mogen de acteurs verborgen onder snorren, bakkebaarden, latexrimpels, tatoeages en wijnvlekken door een rijk gedetailleerd poppenhuis dwalen: The Grand Budapest Hotel, waar de beau monde van de republiek Zubrowka zich tijdens het interbellum verpoosde. De film ontrolt zich in drie verschillende tijden en filmformaten. De schrijver van roman The Grand Budapest Hotel vertelt anno 1985 hoe hij in 1968 een verhaal optekende uit de mond van Zeno, beheerder van een hotel dat in een kwart eeuw communisme is vervallen tot een Oostblokgribus met slaperig personeel, vies eten en linoleum in misselijke tinten groen en oranje. Voor de oorlog stond datzelfde hotel onder leiding van de elegante en liberaal geparfumeerde conciërge Monsieur Gustave (Ralph Fiennes), een biseksueel die met stipte plichtsbetrachting de seksuele behoeften van menig hoogbejaarde douarière bevredigde, tot die attenties hem in conflict brachten met het adellijk geslacht Desgoffe-und-Taxis. Dat bleek de opmaat tot een avontuur vol slapstick en achtervolging.

De film is een ode aan het Midden-Europa van het interbellum, waarbij Anderson zich liet inspireren door Stefan Zweig en Thomas Mann, vertelde hij op de Berlinale. Plus de films van Ernst Lubitsch, MGM-glamour uit de jaren dertig en zelfs het Overlook Hotel van Kubricks The Shining. Zo kun je een hele catalogus vullen met invloeden: het eindresultaat is toch altijd 100 procent Wes Anderson. Hij is de meest herkenbare filmauteur van dit moment.

In Andersons vroegste films – Bottle Rocket, Rushmore, The Royal Tenenbaums – probeerden eigenwijze nerds de realiteit met wisselend succes hun wil op te leggen. Later kantelde het perspectief: Anderson verplaatst ons naar fantasiewerelden waar wazige types als Steve Zissou, Mr. Fox, padvindertje Sam of nu Monsieur Gustave daadwerkelijk de lakens uitdelen. Daar kan hij zijn sluwe humor en wilde associaties volledig uitleven en creaties als het geslacht Desgoffe-und-Taxis realiseren, een mesjokke mix van SS, vampirisme, fin-de-siècle decadentie en Hongaars fascisme. The Grand Budapest Hotel is een magische kijkdoos; sensueel en lichtvoetig. Maar wel bevolkt door mensen van vlees en bloed: Monsieur Gustave is bijvoorbeeld een fascinerende combinatie van onverstoorbaarheid, etiquette en opportunisme. Dat in deze in nostalgie gedrenkte fata morgana weinig plaats is voor ernst of heftige emoties, zij Anderson vergeven: anderen kunnen maar beter verfilmen hoe dit hotel ten gronde ging.

Coen van Zwol