De globalisering van de kunst

De perfect getroffen oogopslag van de, naar de omvang van haar kanten kraag te oordelen, hoogvermogende 17de eeuwse vrouw verhuist naar China. 350.000 euro betaalde een museum in Hangzhou voor haar portret, in 1647 geschilderd door de Haarlemmer Bartholomeus van der Helst. In China zijn de Hollandse meesters, vergeleken met de dure Picasso’s, ontdekt als relatief betaalbaar, en als een naar alle waarschijnlijkheid betrouwbare belegging.

China is een gulzige koper van westerse beeldende kunst. Het krijgt een eigen hoofdstuk in het in opdracht van de Maastrichtse kunst- en antiekbeurs Tefaf geschreven rapport over de internationale kunstmarkt. Uit dat rapport blijkt dat het buitengewoon goed gaat met de mondiale kunsthandel, sinds die in 2009 als gevolg van de economische crisis gekrompen was tot 28,3 miljard euro. In dat licht bezien zijn de cijfers duizelingwekkend. Zo bereikte in 2013 de totale verkoop in de internationale kunst- en antiekmarkt 47,4 miljard euro, een stijging van 8 procent vergeleken met 2012. China is tweede na de VS, die met 38 procent de grootste afnemer zijn, en voor het Verenigd Koninkrijk.

Met deze cijfers is de mondiale kunst- en antiekmarkt bijna terug op het niveau van 2007. De bonussen op Wall Street ook. De handel waarover het Tefaf-rapport bericht, richt zich nadrukkelijk op de naoorlogse en hedendaagse kunst. Denkelijk vinden de kopers die mooi. Maar deze kunst wordt, ook of vooral, beschouwd als een veilige belegging. En de markt is heet. Er is niet meer verkocht dan in vorige jaren. De groei wordt veroorzaakt door de nadruk op de duurdere werken, die voor steeds hogere prijzen worden verkocht.

Deze ontwikkeling in de kunsthandel betekent, behalve dat het voor de musea steeds moeilijker wordt om hun collecties te verrijken, een groeiende globalisering van geliefde westerse kunst. Niet alleen China laat zich gelden, ook de Golfstaten hebben de westerse kunst ontdekt. Zo ging in 2011 De kaartspelers van Paul Cézanne, naar verluidt voor 250 miljoen dollar, naar een museum in Qatar. Dat importeerde trouwens ook een Nederlandse directeur.

Het Westen zal eraan moeten wennen, dat ‘zijn’ kunst de wereld over schiet. Is dat erg? Nee. Die kunst deed dat al, zij het binnen de cultuur die het voortbracht. Maar er is au fond geen verschil tussen een kunstverzamelaar in Saint-Tropez of in Hongkong. Net zo min gaat het aan om verschil te maken tussen een museumpubliek in Washington en dat in Qatar. Wat hier goede kunst is, is het daar ook. Voor het kunstpubliek valt te hopen dat ook het contact met de eigenaren wordt geglobaliseerd. Met het oog op bruiklenen. En ook om de niet-westerse kunst te globaliseren.