Contrarevolutie der conservatoren

Niet iedereen is blij met de mix van schilderijen en objecten in het vernieuwde Rijksmuseum. Komende week komen 140 conservatoren Nederlandse kunst uit heel de wereld in Amsterdam bijeen om erover te praten.

Scheepsmodel van de William Rex voor een schilderij van Ludolf Bakhuysen in het nieuwe Rijksmuseum Foto Rien Zilvold

Naast een portret van Constantijn Huygens staat een glas dat Anna Roemers Visscher voor hem graveerde. Middenin een zaal met schuttersstukken en een portret van Willem van Oranje ligt een kanon. Het beulszwaard waarmee raadspensionaris Van Oldenbarnevelt is onthoofd, wordt omgeven door schilderkunstige topwerken van Hollandse meesters. En Jan van Scorel hangt naast een zestiende-eeuws schaakbord.

Het Rijksmuseum kent geen afdeling vaderlandse geschiedenis meer. Sinds de heropening in april van het afgelopen jaar staan historische voorwerpen, kunst en kunstnijverheid door elkaar. De reacties variëren vooralsnog van lovend tot laaiend enthousiast. De Brit Simon Schama, tevens auteur van het bekende boek over de Nederlandse zeventiende eeuw The Embarrassment of Riches, ging voorop in alle lof. Waar dagblad Trouw de gemengde opstelling nog „lekker levendig” noemde, riep Schama het Rijksmuseum uit tot lichtend mondiaal voorbeeld in de strijd tegen het „valse” onderscheid tussen schone en decoratieve kunsten. In het Rijksmuseum, schreef hij, is sprake van „een conservatorenrevolutie”.

Maar een revolutie gaat nooit zonder contrarevolutie. Een rondgang langs kenners van Nederlandse kunst leert dat een aanzienlijke groep onder hen niet blij is met het mixen van kunst, kunstnijverheid en historische voorwerpen. Op uitnodiging van CODART, de netwerkorganisatie van conservatoren Nederlandse en Vlaamse schilderkunst, komen ze komende week bijeen om naar aanleiding van de gemengde opstelling in het Rijksmuseum te praten over de presentatie van Nederlandse en Vlaamse kunst. Sommige kenners verwachten vuurwerk.

Huigen Leeflang, een van de conservatoren van het Rijksmuseum en tevens CODART-lid sinds 2002, heeft de onvrede ook opgemerkt. Zonder zelf een oordeel te geven („voor mij is het moeilijk te oordelen over een opstelling waar ik zelf medeverantwoordelijk voor ben”), legt hij uit wat de kern van de kritiek is. Eén: de historische objecten leiden af van de schilderkunst. Twee: de gemengde opstelling „vreet” ruimte, zoals directeur Wim Pijbes het in interviews heeft genoemd. Leeflang: „De spijtlijst van conservatoren is tamelijk lang. Niet alle schilderijen die je zou willen laten zien, kun je laten zien.”

Derderangs Hollandse meesters

De Amerikaan Larry Nichols, conservator van het Toledo Art Museum in Ohio en prominent CODART-lid, had inderdaad meer schilderijen in het hernieuwde Rijks willen zien. „Ik mis sommige tweederangs werken van wellicht derderangs Hollandse meesters. Maar dat is altijd nog top, absolute top. Dat kun je niet zeggen van een kist waarmee Hugo de Groot misschien uit slot Loevestein is ontsnapt.” Maar minder ruimte voor schilderkunst is niet Nichols’ voornaamste bezwaar. „Vervelender is dat als ik een zeeslag van Van de Velde goed wil bekijken, ik een beetje afstand wil kunnen nemen. Dat kan nu niet, want dan loop ik tegen een scheepsmodel aan.”

Nichols meent dat de historische objecten niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk in de weg staan. „In die ene volle dag dat ik in het hernieuwde Rijksmuseum was, heb ik goed naar de bezoekers gekeken. Het viel me op dat ze meer belangstelling toonden voor het scheepsmodel dan voor het schilderij van Van de Velde.” Opvallend, zegt Nichols, want in een gescheiden opstelling gaan aanzienlijk meer mensen kijken naar de schilderijen dan naar de historische afdeling.

De emeritus hoogleraar kunstgeschiedenis Eric Jan Sluijter is het met het eerste deel van Nichols bewering eens: mensen komen voor de kunst, niet voor de geschiedenis. „Het is onzin te denken”, zei hij in een lezing die hij vorige maand gaf voor het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, „dat er van alles met kunstwerken gedaan moet worden om mensen een zogenoemde beleving te verschaffen.”

Maar anders dan Nichols, denkt Sluijter niet dat de historische objecten de aandacht opeisen. Door in zalen van het Rijksmuseum uitgebreid te kijken naar het gedrag van bezoekers, kwam hij tot de conclusie dat bezoekers juist snel doorlopen als ze geconfronteerd worden met kunstnijverheid of historische objecten. De bedachte thema’s zijn „verwarrend” en bezoekers zullen zich er niet in verdiepen „want daar komen ze niet voor”. Ze willen Hollandse meesters zien, niet de verbeelding van „de machtstrijd in de jonge Republiek” – een thema van een van de zalen.

De Vlaming Nico van Hout, van het Koninklijk Museum van Schone Kunsten in Antwerpen, wijst op een andere keerzijde van de gemengde opstelling. Die dwingt de conservatoren om dingen te laten zien die „eigenlijk minder belangrijk” zijn. Van Hout: „Neem de achttiende eeuw. Die is belangrijk voor meubels, die je dus ook graag wilt laten zien. Maar moet je daarom ook schilderijen ophangen die eigenlijk niet op zaal hoeven? En zeg eerlijk: scheepsmodellen kunnen toch beter naar het Scheepvaartmuseum?”

Overigens prijzen Van Hout en Nichols het museum. De opstelling is „bijzonder gevarieerd en boeiend”, zegt Van Hout. „En vooral de teksten zijn heel verzorgd, daar kunnen wij in België nog van leren.” Nichols onderstreept dat het museum is „geslaagd in zijn opzet”, want pers en publiek reageren enthousiast, de bezoekersaantallen zijn indrukwekkend. „Ik veroordeel het museum dus allerminst. Maar als u me vraagt: ‘Had u het ook zo gedaan?’ dan ben ik eerlijk. Nee.”

Objecten om te bewonderen

Uit Dublin komt zelfs een onversneden enthousiast geluid. Van de Nederlander Adriaan Waiboer, in dienst van de National Gallery in Ierland. Maar hij kent de kritiek: „De grote vraag is natuurlijk of je historische objecten moet mengen met werken die gemaakt zijn om te bewonderen vanwege hun schoonheid.”

Iemand als Nichols vindt van niet. Dat is interessant, zeggen collega’s, omdat ook zijn museum kunst met kunstnijverheid mengt. In de zalen van het Toledo Museum staan porselein, zilver en meubels bij de schilderijen. Nichols: „Maar dat zijn alleen objecten die gemaakt zijn om te bewonderen. Geen historische voorwerpen. Frans van Mieris schilderde voor schilderijliefhebbers, niet om een illustratie bij de Nederlandse geschiedenis te leveren.”

Het tegenargument luidt: maar Frans van Mieris schilderde evenmin voor een museum. Zijn werk hing in huiskamers, meestal vol objecten, lang niet allemaal van grote esthetische waarde. De recensenten hebben er in hun lof op gewezen dat deze opstelling de kunst weer onderdeel maakt van de geschiedenis. Precies wat historicus Johan Huizinga wilde, in de jaren dertig. En de reden voor de opwinding bij Simon Schama. Waiboer: „Schama is niet voor niets historicus. Wij van CODART zijn natuurlijk geen historici maar kunsthistorici. In de regel ook liefhebbers. Van kunst.”

Nichols: „De historici hebben het geluk dat pers en publiek gewoon dolblij zijn dat het museum eindelijk weer open is, maakt niet uit hoe. Echt discussie over zo’n nieuwe opstelling komt pas later. En musea kunnen altijd weer op hun schreden terugkeren. Let maar op.”

    • Pieter van Os