opinie

    • Hans Beerekamp

Onze God is de beste, onze God is kampioen

Van Kooten en De Bie reisden de pan uit’ (VPRO).

De redactie van Zomergasten (VPRO) voert een actief ontmoedigingsbeleid tegen fragmenten met Kees van Kooten en Wim de Bie, want dat is ieders natuurlijke eerste keuze. Ze zijn een beetje hors concours in de televisiegeschiedenis, behalve eens per jaar tijdens de Boekenweek. Dan stellen ze zelf rond het thema van dat jaar een archiefcompilatie samen uit eigen werk, gisteren voor de zevende keer: Van Kooten en De Bie reisden de pan uit (VPRO).

Zelfs door die keuze van fragmenten uit de periode 1973-98 levert het duo weer lucide commentaar op de actualiteit. In 1993 liep Van Kooten onder het motto Poor Man's Virtual Reality door een winkelstraat met een viewmaster aan zijn brommerhelm om tropische stranden te zien en beleven, op weg naar de zaak. Maar zijn vooruitziende blik betrof niet alleen Google Glass.

De Positivoos, dat evangelisch-optimistische duo met gebeitelde glimlach, zongen een refrein dat we destijds absurd vonden, maar nu bon ton is geworden: „Onze God is de beste / Onze God is kampioen / Daarom zijn wij in het Westen / Relatief in goeden doen.”

Vooral de Haagse proletencreaties als Jacobse & Van Es, maar ook oudere jongeren Koos Koets en Robbie Kerkhof komen akelig dichtbij de politieke realiteit van 2014. We zagen Koets nog eens met een moorkop naar het Binnenhof vertrekken om meer aandacht te vragen voor de netelige positie van oudere jongeren: „Jongere jongeren hebben alles, oudere jongeren hebben niks!”

De briljante satirici voorzagen vlijmscherp waar doorgedraaid individualisme en hedonisme toe zouden leiden: een permanente staat van verongelijktheid. De mobiele telefoons waren nog buitengewoon groot, maar de tegen elkaar opschreeuwende mobiele bellers in een treincoupé („mag ik even, ja?”) zijn helemaal 2014. En als notarisvrouw Carla van Putten haar Parijse amourette à la folie met dispuutgenoot Henri Hogemuts een kwart eeuw later wil herbeleven (Second Life?), laat hij haar vergeefs wachten onder de Eiffeltoren, want hij haalt net een 17-jarig Thais bruidje van de trein.

De verslaggever in tropenhemd in „het duurste hotel van het rijkste deel van de hoofdstad Baberka van het immense ontwikkelingsland Catapagua, land van tegenstellingen” is minder Brandpunt 1973 dan EénVandaag 2014. Maar in één sketch, de laatste van de compilatie, telt alleen het heimwee naar een verloren paradijs, en wel dat van de Postgiro, waar het Simplisties Verbond destijds bioscoopreclames voor maakte, in zwart-wit. De rugzaktoeristen met baret belanden in Kulgarije, waar op het Zwobkantor nu net de blauwe girobetaalkaart niet erkend wordt. Nop nop knor, maar verder overal wel, met een handtekening en een giropas, van Algerije tot de Faeroer. Ik herinner me nog het fascinerende rijtje landen waar je met Giroblauw terecht kon, heel overzichtelijk en best handig.

Of zoals de altijd van emotie trillende ex-verzetsman H.J. Bussink voorlas uit het gedicht De mattenklopper van Alex Gutteling (hij bestond echt, 1884-1910): „Er is een schoonheid in ’t armoedigst kleine / Die zich in stilsten droom slechts openbaart.”

    • Hans Beerekamp