Nederland discrimineert zijn allochtone werkzoekenden

Het staat er onverbloemd: discriminatie blokkeert de instroom van werkzoekenden uit migrantengroepen. Medewerkers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) trekken deze conclusie na een onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van niet-westerse allochtonen in Nederland. De cijfers zijn ernaar. De werkloosheid onder niet-westerse migranten was in 2012 ruim drie keer zo hoog als onder autochtonen: 16 tegen 5 procent. Nog zorgwekkender is het verschil onder jongeren (15-24 jaar): 28 tegen 10 procent. Die 28 procent is een record voor de 21ste eeuw, waarvan alleen maar mag worden gehoopt dat het niet meer wordt gebroken.

Er zijn voor de hand liggende oorzaken: een economische recessie treft lageropgeleiden zwaarder dan hogeropgeleiden. Economisch herstel helpt allicht bij de werkloosheidsbestrijding voor alle groepen. Net als de aanpak van het voortijdig schoolverlaten. Een lichtpunt is verder dat de arbeidsparticipatie van migrantenvrouwen de afgelopen tien jaar is toegenomen. Onder meer doordat ze minder vaak stoppen met werken nadat ze een kind hebben gekregen.

Maar daarmee houdt het goede nieuws op. Het is aan de houding van werkgevers te wijten dat allochtone studenten veel moeilijker aan een stageplek komen dan hun autochtone landgenoten, waarmee ze al direct op de arbeidsmarkt een achterstand oplopen. Afgestudeerde mbo’er en hbo’ers van allochtone afkomst zijn ook veel vaker aangewezen op tijdelijke banen, de „flexibele schil van de werkgelegenheid”, zoals dat wordt genoemd. Anders gezegd: ze kunnen makkelijker en sneller worden ontslagen dan hun autochtone leeftijdsgenoten.

De SCP-onderzoekers stellen vast dat „(ongunstige) beelden over migrantengroepen van invloed zijn op de beslissing over een individuele werkzoekende. (..) Selectiebeslissingen zijn niet etnisch neutraal; vooroordelen spelen een rol.” Het zijn conclusies die helaas niet eens verbazend, maar daarom niet minder schokkend zijn.

Minister Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, PvdA) onderkent het probleem, zo blijkt uit een reactie die hij gisteren naar de Tweede Kamer stuurde. Discriminatie op de arbeidsmarkt bestaat en die is, schrijft de minister „niet alleen moreel ontoelaatbaar, maar vernietigt ook maatschappelijk kapitaal”. Hij kondigt nadere maatregelen aan, maar het is alvast niet bemoedigend dat ook in 2010 al in een rapport discriminatie op de arbeidsmarkt werd aangetoond en dat het er sindsdien in het geheel niet beter op is geworden. Overheidsmaatregelen kunnen helpen, maar het is vooral een mentaliteitskwestie. Onder werkgevers en anderen. Dus: blijf het probleem benoemen; blijf er schande van spreken.