Met de camera op het stuur

Need for Speed: spelen met de wetten van de zwaartekracht

Een foto met een raceauto erop, slechts half in beeld. In zijn boek The Vertigo Years beschrijft historicus Philipp Blom de teleurstelling van de jonge fotograaf Jacques Henri Lartigue als hij de foto terugziet die hij tijdens de Franse Grand Prix van 26 juni 1912 heeft gemaakt. Had hij de opwinding en de snelheid van het moment willen vastleggen, kreeg hij er slechts de helft van terug. Het zou nog veertig jaar duren voordat juist die foto wereldberoemd zou worden als icoon voor de dynamiek van de jaren voor de Eerste Wereldoorlog.

Het is moeilijk om je dat nu nog goed voor te stellen, als je kijkt naar het gemak waarmee films als Need for Speed, de nieuwste race- en gamefilm, je als toeschouwer het gevoel geven dat je met 350 kilometer per uur de bocht om scheurt. De camera op het stuur. Jij bent de camera. Jij bent het stuur. De esthetiek van het 1st-person-perspective uit de gamewereld is definitief een filmisch middel geworden: we weten inmiddels niet beter dan dat snelheid gepaard gaat met fragmentatie.

Nu was dat in 1912 ook al geen geheim meer. Fotograaf en filmpionier Eadweard Muybridge maakte al in 1872 foto’s van een galopperend paard die door hun korte sluitertijd haarscherp waren en met zijn ‘zoopraxiscoop’ geprojecteerd bovendien een piepklein filmpje vormden. De onscherpe achtergrond van Lartigues foto was het gevolg van een veel langere sluitertijd, maar is in film en fotografie (en de schilderkunst van de Futuristen) synoniem geworden voor het gevoel dat tijd en snelheid je altijd ontsnappen. Zelfs de jongens in Need for Speed willen maar één ding: ontsnappen aan de wetten van tijd en ruimte, verslaafd als ze zijn aan de adrenaline.

Dat begon allemaal met de grote voorloper van films als Need For Speed: Bullitt met Steve McQueen uit 1968. Honderd jaar na Muybridge raakte de cinema in een stroomversnelling, met de klassieke achtervolgingsscène in San Francisco, voor het eerst zonder muziek, met alleen die symfonie van brullende cilinders.

Daarna accelereerde ook de montage, tot en met de ‘chaos-cinema’ van het afgelopen decennium waardoor het voor de toeschouwer bijna onmogelijk wordt om zich nog te oriënteren. Wie is de achtervolger, wie de achtervolgde? Er zit niets anders op dan het allemaal maar te ondergaan, als een auto in een spin: het gieren van banden, snel schakelen, jankende motoren.

In Need for Speed rijdt acteur Aaron Paul (Breaking Bad) bij wijze van knipoog naar zijn voorganger McQueen in een Ford Mustang. Maar Need For Speed brengt ook een hommage aan dat andere oer-Amerikaanse genre waarin de auto zo’n cruciale rol speelt: de roadmovie. Als hoofdpersoon Tobey na een onterechte gevangenisstraf dwars door Amerika op weg gaat (hij heeft 45 uur om van New York naar Californië te komen) om zijn rivaal in een illegale straatrace te verslaan, doet hij de ene na de andere locatie aan die we uit roadmovies kennen, zoals ‘motorcity’ Detroit en Monument Valley. Een van de meest spectaculaire ‘ontsnappingen’ vindt zelfs plaats op precies dezelfde rotspunt in Utah waar Thelma en Louise in de naar hen genoemde film hun ultieme sprong naar de vrijheid wagen.

Daaruit blijkt al dat de grote charme van Need for Speed is dat het zo’n echte jongensfilm is. Als Tobey en zijn vrienden werkeloos zitten te gamen, dan is dat meer dan een knipoog naar de bron van het verhaal. De hele film is hun tot leven gekomen fantasie, waarin ze wegen afzetten om hun straatraces te rijden, en ze illegale testritjes kunnen rijden in auto’s die nog niet eens in de handel zijn. De hele wereld is hun circuit. Een walhalla zonder maximumsnelheid.