Liever scoren met vaag plan dan met cijfers

Gemeenten besteden meer aan cultuur dan het Rijk. Hoeveel bezuinigen ze na de verkiezingen? Grote partijen houden de kaarten tegen de borst.

In de gangen van het Amsterdamse gemeentehuis klonk vorige maand ontstemd gegrom toen ambtenaren de uitkomsten in handen kregen van het onderzoek dat adviesbureau Berenschot onder cultuurwethouders en hun beleidsmedewerkers had gehouden.

Gemeenten zouden van plan zijn, beweert Berenschot, om na de verkiezingen van 19 maart nog eens 80 miljoen te bezuinigen. Voor Amsterdam concludeerde het bureau: er is al tien procent bezuinigd, er komt nog zo’n 5 bij.

Zo’n prognose zorgt voor onrust onder culturele instellingen. Terwijl het onzin is, vinden ze bij de gemeente Amsterdam. Het Kunstenplan is vastgesteld tot 2017; tot dan komen er geen bezuinigingen bij. De kans dat een nieuw college het plan „openbreekt”, zeggen ze: „is gelijk aan nul”. Ook als D66 de PvdA uit het college zal stoten.

Onder hun ergernis schuilt onbegrip over niet aflatend negatief kunstnieuws. Vreemd, vinden ze, want de bezuinigingen in het huidige Kunstenplan (6,5 miljoen euro) zijn minder hoog dan de stijging van de uitgaven in het Kunstenplan daarvoor (10,6 miljoen euro).

Voor betrokken cultuurinstellingen maakt dat natuurlijk niet uit. Hun SOS-berichten zijn ook begrijpelijk, want hoe zacht de prognoses van een adviesbureau als Berenschot ook zij, het getal van 170 miljoen is hard. Dat is wat alle gemeenten al hebben bezuinigd op kunst en cultuur, vanaf 2011. Die bezuinigingen komen bovenop de 250 miljoen die het Rijk op de cultuur heeft bezuinigd, op instigatie van het vorige kabinet Rutte. Op basis van CBS-cijfers concludeert de Volkskrant dat gemeenten per inwoner 5 euro minder aan cultuur spenderen dan in 2010. Dat is een daling van 18,5 procent.

Desondanks zullen gemeenten na de verkiezingen opnieuw in de verleiding komen om op cultuur te bezuinigen. Het rijk kort stevig op het Gemeentefonds – dus op de totale hoeveelheid te besteden geld – terwijl ze ook eisen stelt aan de uitvoering van taken die ze overhevelt naar de gemeenten. Maar dat geldt niet voor cultuur en sport. Daar kunnen gemeenten mee doen wat ze willen. Of, zoals de algemeen secretaris van de Raad voor Cultuur Jeroen Bartelse zegt: „Cultuur is vrij schootsveld.”

Zijn Raad kwam afgelopen week naar buiten met de bewering dat gemeenten in de komende jaren nog eens 35 tot 50 miljoen euro zullen bezuinigen op amateurkunst. Ofwel 20 tot 30 procent van alle gemeentelijke uitgaven aan amateurkunst. Dit raakt nagenoeg iedereen: 6,5 miljoen Nederlanders beoefenen vormen van amateurkunst.

Lokale politici worstelen bij cultuurbezuinigingen met een paradox. De kortingen zijn populair als burgers vragen in algemen termen krijgen gesteld; ‘De cultuur’. Maar ze zijn impopulair als gevraagd wordt naar kortingen op specifieke instellingen. En korten op amateurniveau wil al helemaal bijna niemand, zo blijkt uit het schaarse opinieonderzoek waarin op lokaal niveau concrete vragen worden gesteld.

Samen met onze lokale correspondenten hebben we gekeken naar deze worsteling bij politici. Ze constateren dat lokale afdelingen liever niet concreet worden, zeker niet in verkiezingsprogramma’s. Liever gebruiken ze vage zinnen over de verbindende kracht van cultuur en de wenselijkheid van cultuureducatie voor de menselijke geest.

Vooral de grootste partijen in gemeentes houden de kaarten graag dicht tegen de borst, om zo min mogelijk coalities uit te sluiten. Neem Groningen. De stad profileert zich graag als vijfde cultuurstad van Nederland, maar de grootste partij, de PvdA geeft geen enkel cijfer of bedrag die deze pretentie moet waarmaken. Wel spreken de sociaal-democraten zich uit voor meer cultuureducatie voor kinderen van vier en ouder. Bovendien wil de partij „mooie gevels belonen via prijzen of belastingprikkels”.

Mooie gevels. Hoe zien die er eigenlijk uit? Dat mag de kiezer zelf bedenken.