‘Hoe persoonlijker de film, hoe mysterieuzer’

De gevierde regisseur maakte een film over de excentrieke hotelgasten van een Grand Hotel, kort voor WOII. „ Al mijn personages komen voort uit wat ik in werkelijkheid zie.”

Wes Anderson (44) heeft op het eerste gezicht weinig van een Amerikaanse filmregisseur: in kleding en nonchalante haardracht – tijdloos, recht afgeknipt, halflang – heeft hij eerder iets van een excentrieke telg van Engelse landadel. Ook zijn jongste film, The Grand Budapest Hotel, over de excentrieke bewoners van een hotel in het fictieve Midden-Europese land Zubrowka tijdens het Interbellum, maakt net als zijn vorige films een on-Amerikaanse indruk: Anderson gaat niet recht op een doel af, maar slalomt omstandig.

Aarzeling en ambivalentie zijn troef in uw werk.

„Bij het opnemen van een scène die ik heb geschreven, wil ik vaak niet van tevoren definiëren wat precies het effect moet zijn: komisch, dramatisch of iets dergelijks. Meestal wil ik dat een scène meerdere dingen tegelijk betekent. En ik ben het meest blij als het resultaat op film iets is, waar je niet precies de vinger op kunt leggen.

„Aan het eind van de opnamen, bij de montage, ben ik vaak echt verrast door wat het is geworden. Ook al heb ik zelf al de beslissingen genomen die tot dit resultaat hebben geleid, en ze uitvoerig doorgesproken met alle medewerkers – toch is het resultaat altijd weer onverwacht.”

Dat ongrijpbare kenmerkt ook uw personages. Neem de ambivalentie van de hoofdpersoon, Monsieur Gustave, die een tedere houding heeft tegenover mannen en tegelijkertijd de vrouwelijke clientèle poogt te bevredigen. Was dat ook onverwacht?

„Het personage is gebaseerd op een vriend van me, een werkelijk bestaande persoon dus. Al mijn personages komen voort uit wat ik in het werkelijke leven zie.”

The Grand Budapest Hotel speelt zich grotendeels af aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Wat trekt u aan in die periode?

„Het klinkt wat vaag, maar mijn oorspronkelijke opzet was om een film over Europa te maken, over het continent dus waar ik meer dan een kwart van mijn leven heb doorgebracht. Ik heb veel Europese literatuur gelezen. Ik houd in het bijzonder van Stefan Zweig en diens herinneringen in Die Welt von Gestern, over de culturele vrijheid in Wenen, die door het opkomende fascisme om zeep werd geholpen. Zo ben ik op de gedachte gekomen om mijn film in die tijd, en in Midden-Europa te situeren.”

Deels speelt de film ook later. Het verhaal wordt in retrospectief verteld vanuit een periode waarin het hotel is volgestouwd met foeilelijk meubilair dat aangeeft dat het hotel na 1945 in een communistisch land staat.

„Het communisme als zodanig was niet ons onderwerp. Op de onttakeling van de hotelglamour zijn we gekomen toen ik met mijn medewerkers een rondreis door Europa maakte, om locaties voor de film te zoeken. In Boedapest, Wenen, Karlovy Vary, en andere plaatsen in Tsjechië, Polen en Duitsland zie je overal dat die mooie, oude hotels niet zozeer van hun architectonische glorie zijn ontdaan, maar dat die aan het oog is onttrokken door betimmeringen, verf en dergelijke. Het is alsof er binnen de huls van het oude hotel een nieuw hotel is opgetrokken – als je dat zou wegbreken is het oude hotel er weer. Aan het eind van de reis hebben we besloten om niet ergens in een bestaand hotel de film op te nemen, maar alles in een studio te bouwen, gebruikmakend van de vele details die we onderweg hadden gezien en gefotografeerd.”

U neemt ruim de tijd voor die raamvertelling: man verhaalt uitvoerig dat hij zijn intrek heeft genomen in een hotel, waar hij een man ziet die hem intrigeert en met wie hij pas later in gesprek komt, en die het eigenlijke verhaal vertelt.

„Zweig maakt in bijna al zijn korte verhalen gebruik van deze structuur. Ik houd van de manier waarop hij eerst een context en een atmosfeer creëert, zodat je al wordt binnengetrokken in het verhaal voordat het is begonnen. Maar in deze film heeft deze techniek ook nog een extra functie. De film speelt weliswaar in een denkbeeldig land en vertelt een verzonnen verhaal, maar het is tegelijkertijd een komedie over zo ongeveer de ergste dingen die er in Europa gebeurd zijn – het opkomende fascisme, de verwoesting van een hele cultuur. Ik hoop dat de structuur van de raamvertelling ertoe bijdraagt dat de kijker begrijpt dat het in de grond om ernstige dingen gaat.”

Misschien kun je de film brechtiaans noemen: door benadrukken van kunstmatigheid de kijker tot nadenken brengen.

„Nou, eerlijk gezegd is het niet mijn bedoeling om de kijker af en toe uit het verhaal te halen en over ideeën te laten nadenken, zoals Brecht wilde. Het gaat me er meer om met de kijker mijn belangstelling voor schilderijen te delen, of voor de miniaturen in sneeuwbollen. Kijk, elke film is tenslotte toch nep natuurlijk, zelfs als het een documentaire is. Ik ga ervan uit dat het publiek weet dat film altijd kunstmatig is, en bij het kijken naar mijn film de kunstmatigheid omhelst.”

Dit is uw tweede hotelfilm, na Hotel Chevalier dat in de bioscoop draaide als proloog bij The Darjeeling Limited. Ook een zeer ambigue film.

„Dat was een heel ander soort film dan deze. Hotel Chevalier is min of meer geïmproviseerd tot stand gekomen. Wat je ziet en wat er wordt gesuggereerd, heeft veel te maken met de eigen ervaringen van iedereen die eraan meewerkte. Mijn ervaring is dat hoe meer een verhaal in een film persoonlijk is, hoe meer een verhaal ambigu, tegenstrijdig en zelfs mysterieus wordt. Dat ligt bij The Grand Budapest Hotel anders natuurlijk, want de hoofdrol is in laatste instantie voor Europa. Dus als deze film ambigu en tegenstrijdig is, dan ligt dat aan de geschiedenis van het continent.”

    • Raymond van den Boogaard