Er komt echt geen oorlog, meneer

In de Koninklijke Bibliotheek begint vandaag een zoektocht naar verhalen van burgers over de Eerste Wereldoorlog. „Die kleuren de geschiedenis zoals die in de boeken staat.”

Hans van Lith ging door de verhalen van zijn ouders spullen uit de Eerste Wereldoorlog verzamelen. Hij bezit kranten en voedselbonnen uit de oorlogsjaren, maar ook een helm en een eetketel die hij op het slagveld vond. Foto’s David van Dam

Achter de horizon, in het zuiden, klonk het gerommel van de kanonnen. Johanna Swaters uit Middelburg was zes jaar toen de Eerste Wereldoorlog begon. Als er gevochten werd om de Belgische stad Ieper – en dat gebeurde in maandenlange veldslagen in 1914, 1915 en 1917 – was het geschut goed te horen in haar woonplaats.

Zestig jaar later noteerde ze haar herinneringen aan de oorlog, op verzoek van haar zoon Hans. Hans van Lith, nu 77, vroeg ook zijn vader diens belevenissen tijdens de Eerste Wereldoorlog te boekstaven. „De verhalen van mijn ouders hebben bij mij de interesse voor de Eerste Wereldoorlog gewekt”, zegt hij. „Ik ben er tot de dag van vandaag door gefascineerd. Meer nog dan de Tweede Wereldoorlog, terwijl ik die toch zelf heb meegemaakt.”

Vandaag begint op een bijeenkomst in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag een landelijke zoekactie naar persoonlijke verhalen over de Eerste Wereldoorlog, verhalen zoals die van de ouders van Hans van Lith. Het project heet ‘Europeana 1914-1918’ en loopt in de hele EU. Het is eerder dit jaar in Berlijn van start gegaan.

Ons land was tussen 1914 en 1918 neutraal; hebben Nederlanders wel iets meegemaakt dat de moeite van het herinneren waard is? Hans van Lith pakt er een map bij en haalt er twee stapeltjes papier uit. Zijn moeder schreef haar memoires met de vulpen, zijn vader gebruikte een typemachine. „Dit soort persoonlijke getuigenissen kleurt het verhaal zoals je dat in de geschiedenisboeken leest.”

Hij bladert door het manuscript van zijn moeder en geeft een voorbeeld. „Kijk, hier schrijft ze over het binnendragen van een transport gewonden, wat diepe indruk op haar maakte. De mannen lagen verbonden op brancards. Dat kan heel goed, want het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben gewonden uitgewisseld via Nederland. Die treinen kwamen door Vlissingen, dus dat moet mijn moeder gezien hebben.”

Van Liths vader Pieter was als tienjarige jongen in augustus 1914 op vakantie in het Teutoburger Woud in Duitsland. Toen de oorlog uitbrak, moest zijn familie halsoverkop terug naar Nederland. „En dat terwijl ze voor vertrek nog wel bij de bank waren gaan informeren of het veilig was om naar Duitsland te reizen. Er komt echt geen oorlog meneer, hadden daar ze mijn grootvader verzekerd.”

Die kwam er dus wel en het viel voor de familie Van Lith niet mee om weer in Nederland te geraken. „De boemeltrein waarmee ze waren gekomen, reed niet meer. Het spoor was vol met troepentransporttreinen. Uiteindelijk heeft een boer paarden en een wagen ter beschikking gesteld. Daarmee zijn ze naar de dichtstbijzijnde grote stad gegaan. Die man was helemaal niet blij dat het oorlog was; hij maakte zich grote zorgen. Dat is dus een interessante kanttekening bij het beeld dat alle Duitsers opgewekt de ‘frischer, fröhlicher Krieg’ tegemoet gingen.”

Wat weinig mensen weten, zegt Van Lith, is dat ook tijdens de Eerste Wereldoorlog in Nederland veel zaken op de bon waren, net als in de Tweede Wereldoorlog. „De ouders van mijn moeder hadden land dat door een boer werd gepacht. Dus die hadden geen problemen om aan extra eten te komen. Maar mijn vader woonde in Haarlem, en daar was het een stuk moeilijker. Hij beschrijft in zijn verhaal hoe hij ooit van een familielid uit Uitgeest terugkwam met een voetbal in zijn jas – daar bedoelde hij een Edammer kaas mee. Op het station van Haarlem liet hij die kaas vallen, maar gelukkig zag niemand hem over de grond rollen. Mijn vader schreef: anders was ik een kaas armer en een boete rijker geweest.”

De familie Swaters had in Middelburg een flink huis aan de haven, dus er waren regelmatig soldaten ingekwartierd, zegt Van Lith. „Mijn oma stond altijd om vijf uur op. Dan bakte Keetje de dienstbode pannenkoeken voor de jongens. Mijn oom was ook gemobiliseerd en ergens ingekwartierd en mijn oma wilde net zo goed voor die soldaten zorgen als ze hoopte dat er voor haar zoon werd gezorgd.”

Een trauma hebben zijn ouders niet overgehouden aan de Eerste Wereldoorlog, denkt Van Lith. „Ik heb zelf de Hongerwinter in Amsterdam meegemaakt, maar dat heeft mij ook niet getraumatiseerd. Als kind beleef je dat soort zaken toch anders, meer als een avontuur.”