Column

Big Brother heeft een kleine schoenmaat

Daklozenkrant! Een wanhopige zoektocht in de zakken – in de winter zijn dat er al snel een stuk of zeven – levert geen resultaat op. Geen cash, en dus geen daklozenkrant. Er zijn al zat collectanten met een pinautomaat, maar van de straatverkoper naast de Albert Heijn mag deze organisatiegraad niet worden verwacht. Op de gehele Haarlemmerdijk in Amsterdam, mijn habitat voor de dagelijkse boodschappen, is cash aan het verdwijnen Vervangen door elektronica. Papiergeld, de laatste mogelijkheid om anoniem te betalen, ontvalt ons in snel tempo. De mogelijkheid om anoniem te ontvangen overigens ook.

Betalen gaat via bank, creditcard of telefoonmaatschappij. Je kunt klagen dat banken zoals ING al deze data vroeg of laat zullen verpatsen aan de hoogst biedende – bij gebrek aan tegenbericht is het zelfs beter er van uit te gaan dat ze dat op een of andere manier allang doen. Die klachten zijn terecht. Maar het zou mooi zijn als daar in ieder geval een algemeen nut tegenover staat. En dat leidt tot de vraag: zijn ‘big data’ goed voor de economie?

Het antwoord kan alleen theoretisch zijn. Want hoeveel er ook wordt gediscussieerd ook over het onderwerp, het is verrassend hoe weinig data er zijn over big data. Enig houvast biedt hier een studie van het McKinsey Global Institute, dat er niet voor terugschrikt dit soort meta-onderwerpen bij de kop te nemen. Een vorige studie, Debt and Deleveraging, over de hoeveelheid schuld in de wereld, werd vermaard.

Ditmaal gaat het om een rapport over de toekomstige groeiversnellers in de Amerikaanse economie: Game Changers: Five Opportunities for US Growth and Renewal. Dat het hier de VS betreft hoeft geen bezwaar te zijn. De problematiek lijkt op die van meer Westerse landen. Big data, het verzamelen, ontwarren en interpreteren van grote hoeveelheden informatie om die aan te wenden voor een betere productie, distributie en marketing, is in deze studie niet de belangrijkste impuls voor de Amerikaanse economie. Dat zijn innovaties in de energie en de handel. En als de meest extreme extrapolaties van de mogelijke voordelen van een revolutie in infrastructuur en onderwijs worden gehanteerd, dan komen big data zelfs slechts op de vijfde plaats. McKinsey verwacht dat in 2020 de Amerikaanse economie maximaal 325 miljard dollar groter zal zijn door het gebruik en toepassen van big data. Dat is dus nog geen 2 procent van het huidige bruto binnenlands product. Grote Broer heeft een kleine schoenmaat.

Waarom heeft iedereen het over een fenomeen dat ogenschijnlijk zo weinig impact heeft? Dat komt omdat de voordelen onder de motorkap zitten: er in wezen sprake van een enorme efficiencyslag. Die vertaalt zich vooral in lagere kosten bij de productie, distributie en vooral reclame en marketing. Die zie je slechts gedeeltelijk, of met vertraging, terug in de toegevoegde waarde bij het bedrijfsleven. In de zorg en bij de overheid, waar de telling anders is, kan het zelfs zijn dat het effect helemaal niet in de cijfers opduikt. Maar dat neemt niet weg dat er geld wordt vrijgemaakt dat elders kan worden ingezet. En dat er een hele sector opduikt die nieuwe bedrijvigheid vindt in de verwerking van big data.

De revolutie gaat dus grotendeels ongezien, maar is er niet minder om. Hoe winstgevend dat blijft is de grote vraag: ook hier moet sprake zijn van een afnemend nut. De zoveelste aanbieder die het feit verkoopt dat ik gisteren een hotel boekte, zal er minder voor vangen dan de eerste.

Dat zou te zien moeten zijn in het prijsverloop van big data. Maar de markt is zo gefragmenteerd, jong en wild dat er nauwelijks gegevens over zijn. Weinig economische data over big data: is daar óók geen nieuwe markt voor?