Voor allochtoon is solliciteren nu nog lastiger

In tijden van crisis neemt de discriminatie op de arbeidsmarkt toe, zegt het SCP. Bijna 30 procent van de allochtone jongeren heeft geen baan. Twee derde moet het doen met een flexibel contract.

Jeffrey Koorndijk liet zich niet afwijzen om zijn huidskleur. De 23-jarige man uit Deventer solliciteerde eind vorig jaar naar een stage bij een elektronicawinkel in Arnhem. „Is niks. Ten eerste een donker gekleurde (neger)”, kreeg hij per ongeluk teruggemaild van een medewerker. Een boze Koorndijk haalde alle media, van Hart van Nederland tot het commentaar van deze krant. De medewerker dook onder na bedreigingen. Het Openbaar Ministerie gaat hem vervolgen.

Schande.

Maar de Jeffrey Koorndijks worden in Nederland elke dag gediscrimineerd door werkgevers. Dat wisten we natuurlijk al uit onderzoek. Alleen vergroot de economische crisis de discriminatie op de arbeidsmarkt nog eens, concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vandaag in het Jaarrapport Integratie.

Een recessie treft niet-westerse allochtonen harder dan autochtone Nederlanders. De afgelopen jaren is de werkloosheid onder deze groep sneller gestegen en is nu drie keer zo hoog (16 procent). De jeugdwerkloosheid onder migrantengroepen (28 procent) is sinds de eeuwwisseling nog niet zo hoog geweest.

Als je allochtone en autochtone werkzoekenden met precies dezelfde kenmerken vergelijkt, worden allochtonen vaker afgewezen – maar nóg vaker in crisistijd. Het heeft te maken met een lager opleidingsniveau, met een minder goed netwerk of minder goede sollicitatievaardigheden. Leeftijd, woonregio en afstudeercijfers spelen ook een rol bij afwijzingen. Maar daarmee is het verschil niet helemaal te verklaren volgens de onderzoekers. De ‘onverklaarde werkloosheid’ stijgt tijdens een recessie sneller, heet dat eufemistisch in SCP-jargon.

„Een mannelijke migrant van 20 jaar met een hbo-diploma, heeft nu relatief nog minder kansen dan een mannelijke autochtoon van 20 jaar met een hbo-diploma”, legt SCP-onderzoeker Willem Huijnk uit. Bij een groter aanbod van arbeidskrachten zijn werkgevers selectiever en spelen (onbewuste) vooroordelen en discriminatie een grotere rol.

De jeugdwerkloosheid onder Turken (26 procent) en Surinamers (27 procent) is redelijk vergelijkbaar. De werkloosheid ligt al iets hoger onder Antillianen (29 procent), een echte uitschieter vormen jonge Marokkanen (37 procent). Onder Marokkaanse vroegtijdige schoolverlaters is de werkloosheid zelfs 59 procent. Niet verrassend is de ‘onverklaarde’ werkloosheid onder Marokkanen het hoogst.

Allochtonen, met name de groep jongeren tussen 15 en 24 jaar, hebben ook minder kans op een vast contract. „Vaste banen zijn voor jongeren zo langzamerhand een uitzondering”, zegt het SCP-rapport. Ongeveer twee derde van de werkende migrantenjongeren heeft een flexibel contract. Bij de autochtone jongeren heeft ruim de helft flexibel werk.

Ook hier is etnische achtergrond een deel van de verklaring, zegt het SCP. „Bij de beoordeling van een sollicitatiebrief of een bezoeker aan een uitzendbureau, maakt het uit tot welke groep je wordt gerekend”, schrijven de onderzoekers. „Migranten hebben dus een grotere kloof te overbruggen dan autochtonen.”

Het goede nieuws voor allochtonen is dat ze ook sneller profiteren van het (voorzichtige) economisch herstel. „Migranten zijn sterk afhankelijk van conjuncturele schommelingen”, zegt Huijnk. „Als het slecht gaat, gaat het echt slecht. Maar zit de economie in de lift, dan vinden meer allochtonen eerder een baan.”

Een reden is dat economisch herstel altijd begint in sectoren met laaggeschoold werk, zoals de industrie en transport. Een andere reden is dat werkgevers bij het opleven van de markt eerder flexibele werknemers aannemen. „Mijn verwachting is dat de werkloosheid onder migranten nu sneller zal dalen”, zegt Huijnk. „Dat hebben we ook gezien na een piek in de werkloosheid rond 2005.”

Ondertussen groeit er wel een generatie op voor wie het altijd crisis is. Van autochtone kinderen woont ‘slechts’ 7 procent in een armoedehuishouden, van de allochtone kinderen 25 procent.

    • Eppo König