Schilder Gerrit Dou is kampioen ‘nettichheyt’

Soms doet een miljardair zinnige dingen met zijn geld. Zo is de New Yorkse zakenman Tom Kaplan in korte tijd eigenaar geworden van een verzameling van ongeveer 200 Hollandse meesters uit de 17de eeuw, waaronder een aantal Rembrandts en een Vermeer. Zijn verzameling richt zich op de Leidse fijnschilders, een school die zich kenmerkt door minutieus geschilderde voorstellingen in klein formaat. Meestal zijn het portretten of taferelen uit het dagelijks leven. Oervader van deze school is Gerrit Dou. Kaplans ‘Leiden Collection’ omvat veertien Dous, die nu alle te zien zijn op een mooie, bescheiden tentoonstelling in Museum De Lakenhal in Leiden.

Gerrit (ook: Gerard) Dou (1613-1675) kreeg zijn eerste opleiding bij zijn vader, glas-in-loodschilder. Maar schilderen trok hem meer, want op zijn veertiende ging hij voor drie jaar in de leer bij Rembrandt. Dou was toen al een behoorlijk ver ontwikkeld vakman. In stijl en thematiek onderging hij Rembrandts invloed, vooral in de behandeling van licht-donkercontrasten. Maar al snel verkoos hij kleine kabinetstukken boven drama en grote doeken.

Dou was een voortreffelijk portrettist, ook bedreven in stillevens, maar die genres loonden financieel het minste. Roem vergaarde hij met zijn interieurs. Men kijkt dan vaak door een omlijsting binnen in een ruimte waar iemand op de voorgrond zit of staat, omringd door attributen. Een geleerde tussen boeken, een winkelierster met wortelen en haring, een piskijker (arts) met een angstig kijkende dienstmeid.

Dou was bij uitstek een schilder van materialen. Elk voorwerp gaf hij evenveel aandacht. Of het nu ging om een vergeelde pagina, een bontkraag, een kool, een zilveren schenkkan, de veertjes van een papegaai of de plooien van een mensenhuid – hij gaf het allemaal even secuur weer, steeds met grote aandacht voor lichtval en reflectie. De regie over de compositie verloor hij ook nooit uit het oog.

Dat alles kostte veel tijd en Dous werk was dan ook zeer prijzig. Zijn schilderijen waren desondanks zeer gewild en hij verdiende goed. Op zelfportretten – niet op deze expositie – beeldde hij zichzelf ook af als een zelfverzekerde gentleman.

In de 19de eeuw raakte Dou uit de gratie; spontaniteit en expressie zijn wel het laatste waaraan je bij hem denkt. Pas sinds de laatste decennia van de vorige eeuw beleven fijnschilders als hij een herwaardering. Hoezeer Dou hun kampioen bleef, blijkt nu in Leiden als je zijn werk vergelijkt met dat van zijn vakgenoten, die stijver en vlakker schilderden.

Dan valt op hoe Dou zijn collega’s overtrof in een ‘nettichheyt’ (precisie) waaraan je nergens afziet hoe minutieus en langdurig aan alles is gewerkt.

    • Roelof van Gelder