Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Marcel Bij de vrijwillige politie

Ik werd staande gehouden door een agente, die nadat ze een bon vanwege een defect achterlicht had uitgeschreven, spontaan meldde dat ze hulpagent was. „Ja, ik ben bij de vrijwillige politie.” Het waarom intrigeerde me.

Ze somde op:

„Ik wil mijn steentje bijdragen aan een veiligere samenleving.”

„Ik vind het leuk om met mensen in contact te komen.”

„Ik vind het leuk om mensen te spreken over wat ze doen, wat ze beweegt.”

„Ik vind omgaan met mensen sowieso heel leuk.”

Ik zei maar eerlijk dat ik liever gewild had dat ze ander vrijwilligerswerk had gekozen. In de bejaardenzorg kwamen ze toch ook handjes en voetjes tekort, en dat waren toch ook mensen? En of de samenleving nu echt veiliger werd van een paar hulpagenten die zich verstopten bij een kruispunt waagde ik te betwijfelen.

Zij: „De verkeerssamenleving wel.”

Er kwam een echte agent bijstaan.

Hij informeerde of alles naar tevredenheid werd afgehandeld.

Ik vond dat, gezien de boete van 55 euro, geen vraag die ik met ‘ja’ kon beantwoorden. Nee, dus.

Hij tegen haar: „Binnen de kaders blijven. Duidelijk aangeven van de maat is nu vol, maar als het contact een prettig praatje is kan dat.”

Ze gaf aan dat het contact een prettig praatje was. Toen haar collega weg was, zei ze dat ik de eerste burger was die ze had aangesproken.

Achter ons schoten de andere burgers voorbij, bijna zonder uitzondering met defecte achterlichten.

„De eerste keer is erg lastig”, zei ze. Van collega’s had ze gehoord dat het daarna een stuk makkelijker werd. „Er zijn echt mensen die met een big smile weggaan nadat ze een bon hebben gehad. En je kunt er ook op oefenen. Naar verloop van tijd schijnt het een automatisme te worden.”

Een van haar collega’s, overdag IT-specialist, noemde het aanspreken van mensen al een tweede natuur. „Die spreekt de hele dag mensen aan op hun gedrag.”

Ze vroeg naar een identiteitsbewijs, wat ik natuurlijk niet bij me had. Weer een overtreding, eentje die ze eigenlijk niet door de vingers kon zien.

Het gezellige praatje werd op deze manier steeds ongezelliger, vond ik, maar zij bleef volhouden dat ze het leuk vond om met mensen om te gaan. Omdat ik de eerste was, moest het allemaal gecheckt.

Een kwartier later nam ik afscheid van een hulpagent die ‘met volledige support van het thuisfront’ drie keer per maand de samenleving een stukje veiliger maakt. Ze zwaaide, even had ik het idee dat ik iemand gelukkig had gemaakt.

    • Marcel van Roosmalen