De dag van morgen is altijd belangrijk, ja

Minister Opstelten spreekt vandaag in de Eerste Kamer over het functioneren van de rechtsstaat // Tenminste: misschien // Want de minister staat bekend om zijn ontwijkende antwoorden

Ivo Opstelten. Foto ANP

„Tassen dícht, dames en heren, u hoort het.” Bám: de ferme tekst van Ivo Opstelten gaat gepaard met een vuist op tafel. De minister van Veiligheid en Justitie is in gesprek met een zakkenrollerspreventieteam: een groepje burgers dat winkelend publiek aanspreekt op openstaande tassen en portemonnees die voor het grijpen liggen.

Veiligheid op straat in combinatie met een vleugje VVD-eigen-verantwoordelijkheid, hoe Ivo Opstelten wil je het hebben? Want als gevolg van zijn boeven-moet-je-aanpakkenmentaliteit achtervolgt hem al sinds hij aantrad als minister dezelfde kritiek: Opstelten zou te weinig rechtsstatelijk besef hebben. En onvoldoende aandacht voor de rechten van verdachten of de inbreuk op de privacy van ‘gewone’ burgers bij de aanpak van criminelen.

Vandaag krijgt de minister de gelegenheid om het tegendeel te bewijzen. Met de Eerste Kamer gaat hij in debat over het functioneren van de rechtsstaat. Over de optelsom van bezuinigingen in de rechtspraak, over strafrecht, over grondrechten en over de toegang tot het recht.

Tenminste, de senaat zal een poging wagen. Want één van de grootste frustraties van parlementariërs die geregeld met Opstelten spreken, is dat hij zich amper laat vastpinnen. Hoe scherp de vraag ook is, het lukt Opstelten altijd weer om géén inhoudelijk antwoord te geven.

Het zijn debattechnieken

Lars Duursma, debatdeskundige en directeur van trainingsbureau Debatrix, ziet hoe Opstelten zich ongrijpbaar weet te houden. „Hij herhaalt vaak de vraag en maakt daar vervolgens een nietszeggend, algemeen statement van.” Een journalist vraagt de minister in aanloop naar een debat: is morgen een belangrijke dag voor u? „De dag van morgen is altijd belangrijk, ja.”

Ander voorbeeld. Opstelten zegt in een debat eerst dat er volgens hem géén tegenstelling is tussen veiligheid en het schenden van privacy. De SP reageert geagiteerd. Al die debatten over wetgeving die een inbreuk maakt op de privacy van mensen, zijn die volgens de minister dan voor niets? Opstelten: „Nee, natuurlijk voeren wij die discussie terecht. Daarom voeren wij die ook.”

Beperkende factor is dat Tweede Kamerleden een minister maar enkele keren mogen onderbreken. Na een eerste ronde antwoorden volgt een tweede kans, maar dat is bij Opstelten vaak niet genoeg. D66’er Magda Berndsen verzucht geregeld: „Ik constateer maar weer dat de minister geen antwoord geeft op mijn vraag.”

Nog een techniek die Lars Duursma Opstelten vaak ziet gebruiken is de drogreden van de stroman – die is gemakkelijker aan te pakken dan de werkelijke vraag. „Opstelten maakt een karikatuur van de vraag die iemand hem stelt.”

Onlangs vroeg een verslaggever Opstelten naar de aanpak van zorgfraude en waarom het OM daarvoor geen capaciteit vrijmaakt. „Het zou heel raar zijn als iemand aangifte komt doen en diegene zegt, oké, daar zitten een paar officieren van justitie, die hebben totaal geen ander werk, dus die doen dat meteen.”

Verder, zegt Duursma, doet Opstelten „moeiteloos en met grote zelfverzekerdheid onlogische en tegenstrijdige uitspraken, zonder ook maar een spier te vertrekken”. Ter illustratie een citaat van de site watzegtivo.nl: „Jazeker, ik kan dat doen. Ik eh, doe het niet, omdat ik het ook niet kan.” Niet voor niets zijn de interviews die hij aan geschreven media gaf, op de vingers van twee handen te tellen.

Liefde voor de rechtsstaat?

Hoe zal het vandaag gaan? Niet zo: één van Opsteltens voorgangers, Ernst Hirsch Ballin (CDA), sprak onlangs bij een hoorzitting over de rechtsstaat vol liefde over het rechtsstelsel. Hij zei dat „wij dankbaar moeten zijn” voor de Nederlandse grondrechten en voor de Europese rechter, die soms oordeelt dat het nationaal beleid anders moet. „Daar moeten wij politiek niet op reageren in termen van: daar hebben wij last van.”

Van Opstelten zijn zulke woorden over de rechtsstaat niet zo gauw te verwachten. De VVD-fractie in de Tweede Kamer vindt zelfs dat toetsing aan internationaal recht beter afgeschaft kan worden.

Tijdens de begrotingsbehandeling vorig jaar, toen de minister in de Tweede Kamer zijn plannen voor 2014 verdedigde, zei Opstelten dat „de rechtsstaat zich bij uitstek manifesteert in het handelen van politie en Openbaar Ministerie”. Zij moeten zich „houden aan rechtstatelijke kernwaarden”. Wat die kernwaarden dan precies zijn, vat Opstelten samen in één zin zonder toelichting: de scheiding der machten, het legaliteitsbeginsel, een onafhankelijke, onpartijdige rechtspraak, de bescherming van grondrechten en mensenrechten.

De verwachtingen zijn laag

De senaat zal meer van Opstelten vragen. Want wat zegt het als 80 procent van de strafzaken niet meer door een rechter, maar alleen door het OM wordt afgedaan? Is het recht méér dan een beleidsinstrument voor politie en OM om degenen die de wet overtreden, aan te pakken? En welk effect hebben de bezuinigingen op de rechtsbijstand, OM en rechtspraak?

Geert Corstens, president van de Hoge Raad, zei bij dezelfde hoorzitting dat het „een volstrekt veilige veronderstelling is” dat de drempels om naar de rechter te stappen voor burgers eerder te hoog zijn, vanwege bijvoorbeeld de hoge kosten van een rechtszaak. Opstelten zal met argumenten moeten tonen dat de toegang tot de rechter wél voldoende is gewaarborgd.

De senaat heeft geen overspannen verwachtingen. Bij de hoorzitting verzuchtte men in de wandelgangen al: nu voeren we een inhoudelijk debat, maar als de minister komt, zal dat een stuk moeilijker zijn.

    • Annemarie Kas