Atoomgevaar? De BB waakt over u

Over twee weken is in Den Haag de nucleaire veiligheidstop, onder meer over het voorkomen van nucleair terrorisme. Tijdens de Koude Oorlog waren er in Nederland nog atoomschuilkelders, sommige bestaan nog. „Serieus schuilen kon bijna nergens.”

Tekst Sterre van der Hee en Harrison van der Vliet Fotografie Bart Sorgedrager

Het is 27 oktober 1974, 14.31 uur. De sirene gaat en kerkklokken luiden. Plotseling verspringt ook de radio. „De USSR heeft meerdere projectielen richting West-Europa gelanceerd. Zij dringen over tien minuten het Nederlandse luchtruim binnen. Hun doelwit is onbekend. De dienst Bescherming Bevolking roept burgers op een schuilgelegenheid te zoeken, tot het mogelijke atoomgevaar geweken is.”

In de hal van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam schrikt een student wiskunde op. Links en rechts haasten mensen zich de trap af. Instinctief volgt hij de menigte. Een verdieping lager tekenen zich twee ijzeren deuren met zware hendels af tegen een grauwe muur. Achter hem vult de gang zich met mensen. Een meisje raakt in paniek. „Mijn zus is nog boven!”

Gelukkig is dit hypothetische scenario nooit werkelijkheid geworden. De schuilplaats in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam was één van de openbare atoomschuilkelders in Nederland. Met de beelden van Hiroshima en Nagasaki nog vers in het geheugen begon de overheid in de jaren vijftig met de aanleg van schuilplaatsen door het hele land. Want, zo dacht men in Den Haag, tegen een nucleaire aanval zijn bunkers en kelders uit de Tweede Wereldoorlog niet bestand.

Een juiste overweging: vliegtuigbommen uit de Tweede Wereldoorlog zijn niet te vergelijken met nucleaire wapens. Atoomschuilkelders moeten beschikken over dikke, betonnen muren om levensgevaarlijke straling te absorberen. Een luchtfiltersysteem zou burgers beschermen tegen radioactieve stofdeeltjes die bij de atoomexplosie vrijkomen.

Verantwoordelijk voor de aanleg van de schuilplaatsen was de dienst Bescherming Bevolking (BB); die onder het ministerie van Binnenlandse Zaken viel en lokale afdelingen had. De BB had tot taak de bevolking voor te lichten. Zo verspreidde de organisatie brochures en vluchtplannen. Ook zorgde de BB voor noodvoorraden en beschikte de dienst over een brandweer-, eerste hulp- en reddingsploeg.

Maar zelfs met duizenden vrijwilligers was de dienst te klein om zinnig werk te kunnen doen.

Volgens Bart van der Boom, docent moderne Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden en auteur van het boek Atoomgevaar? Dan zeker BB, was dat ook niet de intentie. „De organisatie moest er gewoon zijn”, vertelt hij. „De overheid wilde de indruk wekken de atoomdreiging zeer serieus te nemen. Daar hoorde ook een schuilplaatsenbeleid bij. De BB vervulde in de praktijk vooral een psychologische rol. Het beeld van een allesvernietigende oorlog zou de bevolking niet accepteren. Daarom moest de BB een boodschap uitdragen: als de bom valt, is niet alles verloren.”

27 oktober 1974, 14.34 uur. Voor de ingang van een parkeergarage in Apeldoorn is het dringen. Haastig zoeken mensen hun weg naar binnen. Ze dragen zakken water, rollen toiletpapier en blikken met zogeheten Patria biscuits. „Waarom slepen jullie dat eten mee?”, klinkt het vanuit het trappenhuis. „Daar heeft de BB toch voor gezorgd? En wie heeft hier eigenlijk de leiding?”

Gemeenten gingen serieus met de schuilkelders aan de slag. Zo stelde Amsterdam in 1952 een uitgebreid Schuilplaatsenplan op. Met 800 schuilplaatsen moet het plaats bieden aan 80.000 Amsterdammers; een ambitieus en kostbaar doel. En, zo blijkt, onhaalbaar. Hoewel de overheid een groot deel van de schuilplaatsen wil financieren, moeten gemeenten zelf ook geld bijdragen. Dat geld was er niet.

Het maakte de nodige discussie los. Neem Amsterdam. De Dienst Publieke Werken (DPW) en de lokale BB, zo blijkt uit archiefgegevens, ruzieden in 1954 over de dekking van de kosten: zo’n 16 miljoen gulden (nu 53 miljoen euro). De DPW, verantwoordelijk voor de infrastructuur van de stad, vond dat het geld van de BB moest komen. De BB het omgekeerde.

„Veel gemeenten sloten uiteindelijk een compromis”, vertelt Van der Boom. „Schuilkelders werden voornamelijk gepland in nieuwbouw. Zo kregen ze een dubbele functie; denk bijvoorbeeld aan een metrostation of een fietsenkelder.”

27 oktober 1974, 14.37 uur. In de commandopost in het Friese Grouw is de sfeer gespannen. Een vrijwilliger van de BB staart naar het plafond. „Ik ben benieuwd wat er daarboven aan de gang is”, mompelt hij. „Hou op met zeuren”, blaft een collega hem toe. „We hebben toch niet voor niets drie miljoen van die dingen verspreid?” Hij wijst op een slordige stapel papier in de hoek. ‘De wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf’, staat op het bovenste boekje.

In 1962, tien jaar na het opstellen van het Amsterdamse Schuilplaatsenplan, waren slechts 21 van de 800 oorspronkelijk geplande schuilplaatsen gerealiseerd. „Uiteindelijk kon ongeveer vijf procent van alle Amsterdammers in een schuilplaats terecht”, zegt Van der Boom. In andere delen van Nederland was dat nog minder, zo blijkt uit een overzicht van openbare schuilgelegenheden uit 1985. In de polders en in Drenthe kon vrijwel niemand dekking zoeken.

Het gros van de bevolking wist niet waar de schuilkelders zich bevonden. Wie bij het loeien van de sirenes wél een schuilplaats had weten te bereiken, was niet per se beter af geweest. Hoewel er zit- en ligplekken, radio’s en noodrantsoenen in de kelders moesten zijn, bleken die voorzieningen in werkelijkheid amper aanwezig. „Luchtfilterinstallaties werkten niet en er was geen water of voedsel”, zegt Van der Boom. „Serieus schuilen kon dus vrijwel nergens.”

Met het verstrijken van de jaren nam de angst voor een nucleaire aanval af. Daarom werd de in 1952 opgerichte Dienst Bescherming Bevolking in 1986 opgeheven. Daarna zijn veel kelders gesloopt, verbouwd of heringericht. Sinds de jaren negentig worden de kelders niet meer onderhouden. Althans, niet door de overheid. Waar ze zitten, weten vaak alleen de eigenaren van de panden. „Niemand is voorgelicht”, zegt Van der Boom. „Als het nu nodig is, kunnen er geen mensen in.”

Maart 2014. Anja de Kiewit van Havenbedrijf Amsterdam krijgt een telefoontje. Of twee journalisten van NRC Handelsblad in de kelder van het Havengebouw mogen kijken. „Onder dit pand zit een schuilplaats uit de Koude Oorlog”, zeggen ze. Niet veel later staan de drie in het gebouw aan de De Ruyterkade in een ondergrondse ruimte vol dossiermappen. Boven de rijen ordners zijn delen van een luchtfilterinstallatie te zien. „Het wordt gebruikt als archiefopslag”, zegt De Kiewit. Ze lacht. „Ik wist niet dat er zo’n bijzonder verhaal achter zit.”