Allemaal rancune, die verhalen over seks met jonge jongens

Een medewerkster van het ministerie van Justitie weersprak gisteren de beschuldigingen tegen oud-topambtenaar Demmink. „Wat een debiele uitlatingen.”

Beschuldigingen aan het adres van oud-topambtenaar Joris Demmink over het seksueel misbruiken van minderjarige jongens zijn het resultaat van rancune van justitiemedewerkers die onvrijwillig hun baan hebben moeten opgeven.

Dat is de strekking van de verklaring die stafmedewerkster Anna Storm van ’s Gravesande gisteren gaf bij een verhoor voor de rechtbank in Utrecht. De 60-jarige vrouw, die al dertig jaar werkt op het ministerie van Veiligheid en Justitie, moest getuigen op verzoek van de stichting De Roestige Spijker, die ijvert voor de berechting van de voormalige secretaris-generaal.

Vorig jaar hebben twee ex-gevangenisdirecteuren, Bart Molenkamp en Jacques van Huet, bij de notaris verklaard dat ze in 1992 op een dienstreis naar Londen van Anna Storm belastende informatie over pedoseksuele contacten van Demmink hadden gehoord. Storm zou tijdens het borrelen in de hotelbar verontwaardigd hebben verklaard dat zij af en toe telefonisch opdracht kreeg van de topambtenaar om bij voorkeur Thaise jongens voor hem te ritselen. „Het laat zich raden wat betrokkene daarmee uitspookte”, aldus Van Huet.

Storm weersprak de verklaringen met klem. Het waren „vrij debiele uitlatingen”, zei ze. „Waarom zou ik van die rare dingen zeggen?” Ze ontkende ook dat ze met de mannelijke gevangenisdirecteuren in 1992 zou zijn doorgezakt in Londen. De mannen dronken veel bier en rookten. Dat was niks voor haar. Ze had dus niks geks gezegd, niet in de bar „en zelfs niet bij een bushalte”.

De stafmedewerkster, die vergeefs probeerde achter gesloten deuren gehoord te worden, was kwaad dat ze beschuldigd werd van „medeplichtigheid aan een ernstig zedenmisdrijf”. Storm vertelde dat ze vrijwel nooit met Demmink te maken heeft gehad tijdens haar loopbaan. „Ik vraag me af of de heer Demmink weet wie ik ben.” Ook privé heeft ze geen contacten met de 66-jarige Demmink onderhouden. „Hij is substantieel ouder.” Volgens haar hebben Van Huet en Molenkamp in samenspraak met de secretaris van de stichting De Roestige Spijker, Ben Ottens, welbewust een verklaring verzonnen om Demmink in een kwaad daglicht te stellen. Ottens – ook een voormalige departementsambtenaar – en Van Huet en Molenkamp zouden volgens haar Demmink te pakken hebben willen nemen omdat ze voortijdig moesten vertrekken.

Van Huet moest volgens haar „na megaproblemen” vertrekken, bij Molenkamp „was het iets diffuser”. Ottens „had altijd een zweem van onbetrouwbaarheid om zich heen. Dat gonsde door de gang”, zei Storm. Toen ze hoorde wat de bajesbazen hadden verklaard bij de notaris had ze aanvankelijk het voornemen om bij de mannen „een steen door de ruit te gooien”. Maar uiteindelijk besloot ze na overleg met een advocaat – die haar in overleg met het departement was toegewezen – om in november vorig jaar aangifte te doen wegens smaad tegen de gevangenisdirecteuren. Storm zei dat ze „een vermoeden” had over de motieven achter de beschuldigingen maar daarover wilde ze verder geen mededelingen doen. De twee directeuren worden vrijdag gehoord in de civiele procedure die loopt voor de rechtbank.

Storm vertelde ook dat er op het departement vorig jaar een onderzoek is gedaan naar de beschuldigingen van de gevangenisdirecteuren. Het onderzoek zou zijn gedaan door een gepensioneerde ambtenaar van een ander departement. De conclusie van zijn werk was dat het „niet aannemelijk” is dat de beschuldigingen aan het adres van Demmink kloppen, aldus Storm.

De secretaris van de stichting De Roestige Spijker, Ben Ottens, ontkende na afloop van de rechtszitting dat hij doelbewust met de gevangenisdirecteuren valse verklaringen zou hebben opgesteld. Hij bestreed ook dat hij onvrijwillig had moeten vertrekken op het departement. „Er is een uitstekende regeling getroffen”, aldus Ottens.

Hij toonde ten slotte ook nog de koninklijke onderscheiding die hij op zijn colbertje heeft zitten en die hij kreeg bij zijn afscheid. „Ridder in de Orde van Oranje Nassau, of zoiets.”

    • Marcel Haenen