Voorjaar

Aan de vooravond van de Toscaanse klassieker Strade Bianchi werd Johnny Hoogerland tijdens een radio-interview gevraagd hoe het hem beviel bij zijn Italiaanse ploeg. Zijn stem klonk eenzaam via de telefoon: „De taal is moeilijk. En ze gaan hier allemaal tegelijk aan tafel, dat is wennen.” De tondeuse deed zijn werk. Laagje olie op de

Aan de vooravond van de Toscaanse klassieker Strade Bianchi werd Johnny Hoogerland tijdens een radio-interview gevraagd hoe het hem beviel bij zijn Italiaanse ploeg. Zijn stem klonk eenzaam via de telefoon: „De taal is moeilijk. En ze gaan hier allemaal tegelijk aan tafel, dat is wennen.”

De tondeuse deed zijn werk. Laagje olie op de huid. Drank in de bidon, repen in de achterzak. Banden op spanning. Weg was ik

Daar zit je dan als Zeeuw tussen etende Italianen. Antipasti, pasta, secondo, dolce. En maar verlangen naar zo’n pot met mosselen. Zilte damp in je neus.

Rare Hoogerland.

Net als hier was het voorjaar in Italië en Hoogerland ging een van de mooiste wedstrijden van het jaar rijden. En wat was er eigenlijk mis met gezamenlijk eten? Nee, dit was geen goed moment voor heimwee naar Nederland.

De volgende dag keek ik naar de Toscaanse wielerwedstrijd. Het peloton reed in de zon over onverharde wegen door wolken van stof. In de namiddag werden de schaduwen lang. Op de kam van een heuvel stonden cipressen als lange soldaten in het gelid. Wat een decor om in te mogen fietsen.

Was Johnny Hoogerland nog in koers? Peter Sagan reed weg uit de kopgroep, de Pool Michal Kwiatkowski voegde zich bij de Slowaak. Samen reden ze naar de finish. De finishlijn lag op de Piazza del Campo in hartje Siena, het plein waarop ik ooit met mijn geliefde in slaap viel.

Het signaal werd me duidelijk: ik moest en zou de volgende dag zelf gaan fietsen. Een voorjaarssolo door het achterland van Rotterdam.

De tondeuse deed zijn werk. Laagje olie op de huid. Drank in de bidon, repen in de achterzak. Banden op spanning. Weg was ik.

Onderweg knikte ik meewarig naar de mensen die met zwarte kousen onder hun kleding de kerk uitliepen. Ze hadden wind mee, dat wel. Op de parkeerplaats van het crematorium stond geen enkele auto. Het was ook geen dag om te sterven.

Op een boerenpad in de polder stuurde ik behendig om platgereden koeienstront heen. Links en rechts stonden knotswilgen langs de sloot. Mooi, maar het leek in de verste verten niet op Toscane.

Bij het bruggetje over de Vlist stond het terras uit. Ik zette mijn fiets tegen een muur en ging zitten. Terwijl fietsers en motorrijders voorbij reden, kreeg ik mijn koffie. Het was een Hollandse cappuccino.

Met wind tegen reed ik terug naar de stad.

Thuis zocht ik op mijn mobiel of Hoogerland zaterdag de finish had gehaald. Ja, daar stond hij in de uitslag: 83ste in de Strade Bianchi. De Zeeuwse renner had ’s avonds vast met zijn ploeggenoten in een hotel gegeten. Weer allemaal tegelijk aan tafel. Weer ratelen in hun eigen taal.

Het is wennen, natuurlijk. Maar toch; Hoogerland is een bofkont.

    • Wilfried de Jong