Column

Simone La Grande Boekenbal

Het Boekenbal. Al drie jaar hoop ik op een feest dat echt knalt, à la het dakterrasfestijn in de film La Grande Bellezza, waar vrouwen uit taarten verschijnen en schaarsgeklede dansers in glazen lichtbakken kronkelen.

In de Amsterdamse Stadsschouwburg stond vrijdagnacht wel een vrouw met een lichtzwaard en een Men in Black-bril op. Ze deed een soort dans in het voorgeschreven thema ‘buitenaards’, maar dat zag je pas nadat je dacht dat ze een blinde met een moderne tikstok was.

Op de plek van Harry Mulisch zat nu Isa Hoes. Een paar uur eerder, na de opnames van DWDD, had zij collega Heleen van Royen in het oor gefluisterd dat Heleen werkelijk de enige was die niet jaloers was en haar het succes gunde. Dat werd opgevangen door een veelgeprezen dichteres, die door de bestsellerauteurs niet werd herkend.

Een bekende televisiepresentator dronk wodka-gazpacho uit een knijpzakje en zei tegen iedereen met wie hij geen slokje wilde delen dat het yoghurt was. Mij vergat hij te melden dat er knoflook in zat.

In de gang rond de grote zaal dwaalden snelle jongens, ze staken hun microfoons met schuimrubberkoppen naar voren: „Waar kennen we u ook alweer van?” De echt bekenden antwoordden: „Geen idee.” De bijbehorende cameramannen hadden stevige schouders die niet weken, waardoor ik op een zeker moment verklaarde dat het Boekenbal een ‘Beukfestijn’ werd. Eén keer raden wat het gretig gezelschap verstond.

Tegen iedere auteur met een pas verschenen boek zei ik: „Je ligt op mijn nachtkastje.” De vrouwen die vorig jaar coke snoven, slikten nu Ritalin, gestolen van hun kinderen.

De redacteur voor wie de misère in het boekenvak persoonlijk was geworden, zei moedig dat zijn ontslag een kans vormt. „Ik denk altijd aan de dingen die kunnen, niet aan de dingen die niet kunnen.” We knikten: elke crisis biedt een nieuw begin. Over opstootjes en vreemdgangers werd wel gesproken, maar niemand had ze zelf gezien.

De after kakte in nog voor-ie was begonnen. Iedereen vertrok met de fiets naar huis. De mensen met kinderen of andere martelende verplichtingen stelden de ontnuchtering zo lang mogelijk uit en namen een taxi.

Ik dacht aan de hoofdfiguur in La Grande Bellezza, Jep Gambardella, 65 jaar, witgrijs en elke nacht op pad. Eens was hij een gevierd schrijver van een grootse debuutroman, maar aan een tweede boek is hij nooit begonnen: het leven, het feesten, leidde te veel af om Belangrijke Kunst te creëren. Hoe groter het festijn, hoe minder goede boeken er worden geschreven.

Ik werd wakker met een inktvlek op het kussen naast me, half schrijvend was ik in slaap gevallen. Een saai einde, heel hoopvol.