Zeg zwarte, hoe groot is je schedel?

Racisme bestaat niet meer sinds Obama president is, meent Fox News. Dat is maar de vraag. Racisme is namelijk ingegeven door opportunisme, meent Francisco Bethencourt.

‘Afrikanische Völker’ Uit: Meyers Konversations Lexikon, zum Artikel ‘Afrika’ (1908), Institut Leipzich.

‘Of 12 Years a Slave wint vanavond de Oscar voor beste film, óf jullie zijn allemaal racisten”, grapte Ellen DeGeneres, de presentator van de Oscar-uitreiking deze week. Ze heeft het over de film die het verhaal vertelt van een vrij man die als slaaf werd verkocht – en die het niet alleen kon navertellen, maar ook kon opschrijven. De nominaties voor de film waren al mooi, de Oscar nog mooier: er is kennelijk ruimte voor (zelf)onderzoek naar redenen voor blanke superioriteitsgevoelens en de gevolgen daarvan. Daarnaast spotte DeGeneres met een sentiment dat er in Amerika wel degelijk is: Fox News wist te melden dat racisme eigenlijk niet meer bestaat nu Obama president is.

Heeft Fox News gelijk? Een boek als Racisms geeft uitsluitsel. Hierin onderzoekt historicus Francisco Bethencourt de oorzaken en verschijningsvormen van racisme.

Het bestaande idee – dat racisme pas kon ontstaan bij de gratie van een rassentheorie – veegt hij snel onder tafel. Hij gaat nog niet zo ver om de antieke Romeinen een stelletje racisten te noemen, maar wijst er wel fijntjes op dat ze de Germanen met gretigheid beschouwden als mensen die niet wilden werken én geen vrede wilden. Galliërs waren zuiplappen en de Grieken weliswaar ontwikkeld, maar arrogant en daarom toch te vermijden. De Grieken zelf zagen in alles wat in het Oosten was geboren een inferieure versie van de Griek zelf.

Hoewel dat nog maar voorspel was – de geschiedenis van racisme begon pas echt met de kruistochten – is al wel te zien wat Bethencourts boek vernieuwend maakt. Hij koppelt racisme voor een deel los van uiterlijkheden. Racisme is een „vooroordeel tegen een andere afkomst dat leidt tot discriminerend handelen”, kortom: het in gedachten en daad afzetten tegen alles wat anders is.

Racisms gaat dan ook niet alleen over discriminatie, maar vertelt twee verhalen. In de eerste plaats is het een geschiedenis van hoe mensen met elkaar omgingen. In de Middeleeuwen was racisme vooral door opportunisme ingegeven: het ging daarbij om land of andere voordelen. Je minachtte dus degene met wie je oorlog voerde. Dat kon puur praktisch zijn, maar ook door geloofsidealen zijn ingegeven: christenen die superieur naar Jeruzalem wandelden.

Het ging dus niet per definitie om ras – hoe paradoxaal dat ook klinkt. Heiligen waren vaak genoeg zwart. Zo zijn er afbeeldingen van de koningin van Sheba die steeds donkerder werd afgebeeld, maar wel haar blonde haar hield. Het maakt haar exotisch maar niet per se minderwaardig.

Ook op kerkmuren zijn altijd vele zwarte heiligen te zien geweest: een teken van het universele karakter van het christelijke geloof. Zwarten konden christenen zijn – en waren dus niet anders meer. Andersom konden groepen tegenover elkaar staan die geen mens met het blote oog uit elkaar kan houden: de Ieren werden in Engeland liefst neergezet als een stel langharige wilden die op blote voeten met een bijl rondliepen. De Engelse boodschap die dan gegeven kon worden was: mensen die er zo bij lopen zullen blij zijn door ons gekoloniseerd te worden.

Turkse buurman

Het is een wel heel brede invulling van ‘racisme’, maar dat is ook precies Bethencourts bedoeling. Het is te makkelijk om het pas over racisme te hebben nadat de wetenschap zich over de classificatie van rassen had gebogen. Ironisch genoeg kun je zeggen dat de geboorte van het moderne racisme dus te lokaliseren valt in de Verlichting, wanneer de wetenschappelijk observerende blik werd losgelaten op de wereld en dus ook op schedels en achterwerken. De eerste frenologen wilden ontdekken waarin verschillende mensensoorten van elkaar afweken, maar algauw werden de onderzoeksresultaten gebruikt om kolonialisme te rechtvaardigen.

Maar dan spreken we over de 19de eeuw, en racisme is veel ouder. Door racisme los te koppelen van ras verklaart Bethencourt waarom iemand overtuigd bang kan zijn voor buitenlanders, maar het toch goed kan vinden met zijn Turkse buurman. Racisme is een politiek project, dat is de kern van zijn boek. En wanneer pragmatiek overheerst, nemen de kansen op racisme weer af – en dat laat hij zien door op een andere manier te kijken naar historische episodes, bijvoorbeeld naar kolonisatie.

Het is vrij algemeen bekend: Engeland en Nederland waren pragmatisch in hoe ze geld probeerden te verdienen in het Verre Oosten in de zeventiende eeuw. Dat moest ook wel, want de bedrijven die dat deden waren de eerste bedrijven met aandeelhouders – dus in iets anders dan winst waren ze niet geïnteresseerd. Er werd geen westerse regeringsstructuur opgebouwd, en het was niet de adel die naar de Oost werd gestuurd. Het waren mensen die simpelweg hun werk deden, en dat liefst zoveel mogelijk samen met de lokale autoriteiten.

Het lag dus voor de hand dat Europese en Aziatische bevolkingsgroepen zouden mengen. Wat de economische consequenties waren van die benadering, is bekend. Bethencourt vertelt hoe blanken met Aziaten omgingen en trouwden. Deze liefde werd aangemoedigd omdat het de verhouding versoepelde. Een probleem werd het echter wanneer ‘Euraziaten’ terug zouden keren naar Nederland – dat was niet de bedoeling. Met verhalen over kannibalisme en pervers gedrag werd het kolonialisme voor het thuisfront goedgepraat en de Aziaat of Afrikaan op afstand gehouden.

Schedels

Zo kreeg racisme niet de kans om praktijk te worden, is de wat cynische observatie: als je op je plaats blijft, is er niets aan de hand. Maar mensen blijven niet op hun plaats, de geschiedenis is er een van volkverhuizing en kolonisatie. Racisms toont hoe mensen niet met elkaar kunnen en willen omgaan. Kijkend naar de 20ste eeuw valt daar weinig tegenin te brengen: de eerste genocide van de Herero’s in Namibië door de Duitsers tussen 1904 en 1908 (eergisteren werd bekend dat de schedels die toen volgens goed koloniaal gebruik waren meegenomen voor wetenschappelijk onderzoek nu pas teruggegeven worden), de Armeense genocide, de Holocaust, de Rwandese strijd tussen Hutu’s en Tutsi’s en alles ertussenin: er lijkt weinig hoop voor samen leven.

Wat dat betreft kan je de resultaten van de Europese verkiezingen met vrees tegemoet zien: xenofobische partijen staan vrijwel overal op winst. Zodra de mens over de grens kijkt, gaat het mis, lijkt de les van dit boek. Behalve als we er wederzijds beter van worden – want dat racisme voor Bethencourt een politiek probleem is, suggereert dat ook de oplossing politiek zou kunnen zijn. Immers: wanneer mensen elkaar tegenkomen die elkaar niet kunnen gebruiken, ga je elkaar uitschelden voor kakkerlakken of sla je erop. Maar zodra er winst te behalen valt uit samenwerking, vallen tegenstellingen weg, of althans: ze blijken hanteerbaar.

En dan zijn we terug bij 12 Years a Slave en het dreigement van Ellen DeGeneres: niks aan de hand. Steve McQueen mocht – als eerste zwarte regisseur – de filmhoofdprijs in ontvangst nemen. Mooi nieuws, maar het boek van Bethencourt laat wel op pijnlijke wijze zien dat het weinig zegt over racisme. ‘Blank en Westers’ is best bereid samen te werken met wie ‘anders’ is. Als het maar wat oplevert.