Wij zijn Parijs

De Parijse man is ervan overtuigd dat hij uit zeldzamer en kostbaarder hout is gesneden dan de gemiddelde Fransman. Een portret van Le Parisien.

tekst Raphaëlle Rérolle interviews Peter Vermaas foto’s Barrie Hullegie assistent fotografie Patrick Sijben

Ah! Les p’tites femmes de Paris...’ Elegant, pikant en verleidelijk, zo stellen we ons de Parisienne voor. De kokette vrouw die door Brigitte Bardot en later door Jeanne Moreau werd bezongen. De Parisienne heeft over de hele wereld een reputatie. Maar haar mannelijke tegenhangers? De Parijse mannen? We moeten toegeven dat hun opvallendste vertegenwoordigers, obers en taxichauffeurs, vooral bekendstaan om hun rothumeur. Maar daarachter gaat een hele groep trotse, geraffineerde mannen schuil, die in charme niet onderdoen voor hun vrouwelijke gelijken.

Laten we één ding vooropstellen: er bestaat niet één soort Parijzenaar, er zijn er meerdere, afhankelijk van wijk, sociale achtergrond, loopbaan en politieke overtuiging. Dat belet deze heren echter niet om een diepgewortelde overtuiging te delen: ze zijn anders. Ze zullen het nooit in je gezicht zeggen, maar het is een feit. Alsof ze uit een zeldzamer en kostbaarder hout zijn gesneden dan de gemiddelde Fransman – dan de gemiddelde man. Als je in Parijs bent geboren, des te beter, maar lang genoeg in de hoofdstad wonen is ook een manier om je deze prettige overtuiging eigen te maken. Hoe lang? Dat hangt helemaal af van je individuele talent om aan vier criteria te voldoen.

1. De Parijse man komt zelden buiten Parijs

De Parijzenaar is iemand die ervan overtuigd is dat hij in zijn eentje het hele land vertegenwoordigt. Een goede Parijzenaar zijn, betekent dus net doen alsof Parijs de hele kaart van Frankrijk beslaat. En als je per ongeluk gebeld wordt door familie uit de provincie die je herinnert aan het bestaan van andere steden, reageer je een beetje verstrooid, ongeïnteresseerd.

Als de Parijzenaar elders nog banden heeft, dan bestaan die toch vooral uit jeugdherinneringen, omdat hij de vakanties altijd doorbracht bij zijn grootmoeder in Bretagne, de Haute-Loire of de Drôme.

Alles wat zich buiten de boulevard périphérique bevindt, en dus, strikt genomen, buiten de hoofdstad, heeft voor de Parijzenaar geen betekenis. Parijs betekent ‘intra muros’, basta. Het is een geijkte uitdrukking, uit de tijd dat de stad door vestingwerken werd omgeven (die tussen 1919 en 1929 zijn afgebroken). Je kunt beter in een van oorsprong volks arrondissement wonen dan in de banlieue. Maar de hele stad ‘intra muros’ is zo exclusief geworden dat daar bijna geen volkswijken meer zijn.

Omdat de Parijzenaar zelden buiten Parijs komt, kent hij over het algemeen zijn stad goed. Hij heerst er. Statistisch gezien is hij meer aanwezig in de straten en de cafés dan zijn vrouwelijke tegenhanger. Of liever gezegd, hij brengt er meer tijd door. Genoeg om de weg te leren kennen. Precies weten waar die ene straat, dat metrostation, die bioscoop of die concertzaal is, is geen aardige bijkomstigheid, het is een must.

Van alle Franse steden kent Parijs het hoogste percentage gezonde, volwassen mannen die nooit hun rijbewijs hebben gehaald. En daar nog trots op zijn ook. Maar omdat de afwezigheid van deze mannelijke competentie gecompenseerd moet worden, beweren ze elke uithoek van de stad te kennen. En daarom koesteren ze diepe minachting voor taxichauffeurs die een navigatiesysteem gebruiken.

2. De Parijse man kleedt zich niet te serieus

Behalve als het echt niet anders kan, kleedt de Parijse man zich niet serieus. Serieus, in Parijs, wil zeggen: op z’n zondags. En dat is ‘provinciaals’. Jasses. Om er zeker van te zijn dat je niet in die val loopt, heb je genoeg aan een vleugje wanorde; een zweem van ongekleedheid is een absolute voorwaarde voor elegantie. Of een pietsje slordigheid, zonder af te zakken tot echt volkse outfits zoals een joggingpak, want dat wordt geassocieerd met de banlieue.

Zelfs als hij duur gekleed is, zorgt de Parijzenaar voor een detail dat een al te strikte regie doorbreekt. Waardoor hij de indruk wekt echt uniek te zijn. Een ietwat losse stropdas kan voldoende zijn, of excentrieke schoenen bij een pak, een bloemetjessjaal bij driedelig grijs. Waar het om gaat, is dat hij niet de indruk wekt er al te veel geloof aan te hechten.

3. De Parijse man zit vaak aan tafel

De Parijse man is van nature een sociaal wezen en pretendeert overal een mening over te hebben, vooral over politiek. In intellectuele of artistieke kringen is hij bijna altijd links, tenminste, zo rond de verkiezingen. De rest van de tijd debiteert hij soms meningen waar de activisten van ’68 de koude rillingen van zouden krijgen op hun barricades. Maar over het algemeen beschouwt hij zichzelf graag als een tolerante vrijdenker, en dat laat hij weten ook. Omdat hij Fransman is, speelt het grootste deel van zijn sociale leven zich aan tafel af, waar hij zich graag aan de strikte regels van de ‘Franse maaltijd’ houdt, entree-hoofdgerecht-kaas-dessert.

Twee keer per dag, op vaste tijden, neemt hij daarom deel aan een cultureel hoogstaand ritueel, want de beroemde Franse maaltijd is opgenomen in het immateriële erfgoed van UNESCO. En natuurlijk eet hij liever niet alleen. Als hij te eten wordt gevraagd, zal hij zich aan tafel gewetensvol van zijn taak kwijten. Stilte is voor mensen die niets te zeggen hebben, voor boerenpummels dus. Of het gesprek nu over serieuze onderwerpen gaat of niet, hij bakent zijn territorium af en zorgt dat zijn buren niet te veel ruimte krijgen. Zonder ooit te vergeten dat je mensen aan het lachen moet maken. Het mag dan een vriendschappelijk steekspel zijn, eigenlijk wordt er een kleine oorlog uitgevochten, in een theater waarin iedereen zichzelf een rol moet aanmeten.

4. De Parijse man houdt de deur open

De Parijse man weet dat hij op het gebied van de liefde een reputatie hoog te houden heeft: die van de Fransman, misschien niet zo romantisch als de Italiaanse ‘Latin lover’, maar wel met glamour. Hij is in de eerste plaats galant: van jongs af aan weet hij dat je niet vóór een vrouw de lift uitstapt, hoe oud ze ook is. Dat je alle deuren openhoudt, inclusief die van de metro. De regels van gelijkheid tussen man en vrouw die in Noord-Europese landen gelden, hebben hem niet bereikt. Wat hem veel vrijheid geeft om te flirten. Niets is verboden, behalve grofheid, of – vreselijk ordinair – rechtstreekse avances. Zoete woordjes, complimentjes, veelzeggende blikken, toespelingen, de Parijzenaar houdt op zijn manier vast aan tradities uit de tijd van Louis XIV, en de manieren die golden aan het hof, in de boudoirs van de achttiende en negentiende eeuw, en bij de intieme dinertjes van het begin van de twintigste eeuw. Of hij nu van mannen of van vrouwen houdt, hij verovert in de eerste plaats met zijn charme. En die verovering is een overwinning, een heldendaad waar andere mannen tegen wil en dank bewondering voor hebben. Zelfs als het slecht afloopt. En zelfs als die Parijzenaar de president van Frankrijk is.

Raphaëlle Rérolle is chef van de cultuurbijlage van Le Monde

Vertaling Martine Vosmaer en Karina van Santen

    • Raphaëlle Rérolle interviews
    • Peter Vermaas
    • Barrie Hullegie assistent
    • Raphaëlle Rérolle interviews Peter Vermaas
    • Tekst