Column

Wasbeer

Column // Georgina Verbaan

Het is stil in de trein van Amsterdam CS naar Driehuis. De opgetogen lentekriebels die als een feestslinger van aaneengeregen madeliefjes ons land opfleuren, maken dat zelfs het meest troosteloze industrieterrein een plaats van hoop en leven lijkt. De slecht bijgehouden volkstuintjes, met hun scheefgezakte golfplaten daken op kleine huisjes, die anders zo weemoedig stemmen, lijken zich erop te verheugen dat hun verzorgers binnenkort het neergekwakte tuingereedschap ter hand komen nemen.

Ik mijmer wat over kleedjes in parken en gewoon wat zitten op een stoepje. Ik moet naar de tandarts en hoop dat dergelijke gedachten een verzachtend effect hebben op de horror die mij aanstaande is.

Dan stapt er op station Haarlem een verwaaid ogende vrouw binnen. Ze torst een indrukwekkende hoeveelheid shoppingbags en een grote staande lamp in bubbeltjesplastic met zich mee. Ze weet met veel moeite een telefoon tegen haar oor aangedrukt te houden. „Ja, dat zeg ik toch net? Een berichtje via Facebook. FACEBOOK!” Ze ploft neer aan de overkant van het gangpad. De tassen vallen naast haar op de grond en de lamp knalt tegen het bagagerek aan. Ze zet hem er zuchtend iets vandaan en werpt haar been op de bank tegenover haar om te voorkomen dat hij valt. Ze heeft gehuild. Ze ziet eruit als een wasbeer. Een boze wasbeer.

„Ik heb een Chanel nagellak, een mascara, nieuwe schoenen, de halve Hennes, een vaas, een staande lamp -precies zo één als Vanessa, ik schaam me dood- en korte sokken voor in sportschoenen gekocht en mijn hart doet nog steeds pijn. Klootzak. Ik geef mijn roze haar de schuld.” Ik kijk iets te opzichtig op van de krant die ik veinsde te lezen. Ze kijkt boos terug. Haar haar is inderdaad een beetje roze. Ze praat iets zachter nu. „Ja, natuurlijk is dat een grapje.”…… „Wel, het is wel roze. Godver. Hij ís het gewoon.” ….. „Wel, met hem zou ik dat wél willen.”…. „Ja.” …. „Hij is eigenlijk gewoon perfect als het niet zo’n besluiteloze stomme zak was.” Ze bijt op het touwtje van haar capuchon. „Wat? Mariska?” Ze trekt een vies gezicht. „Ze heeft het moeilijk?” Ze gnuift. „MOEI-LIJK? We hebben het allemaal moeilijk. Ik heb het óók moeilijk, maar genoeg over mij.”…. „Ja, natuurlijk ga ik die lamp terugbrengen.” …. „Nee, niet nu. Ik zit nu al in de trein.” Ze snikt. „Oh, jezus. Dit wordt echt een kutzomer!” Verdraaid, dat kan natuurlijk ook nog.