Waarom komt Italië niet

vooruit?

De correspondent // Merijn de Waal in Italië

Terwijl Matteo Renzi zijn eerste werkdagen maakte als premier van Italië , reisde ik vorige week met twee van zijn generatiegenoten door het land. De 39-jarige premier legde zijn aantreden uit als hoopvol teken voor jongeren. In gerontocratie Italië – waar men tot z’n veertigste doorgaans als stagiair wordt behandeld – gaat de jeugd meer kansen krijgen.

Reisgenoten Guia en Antonio – beiden begin dertig en freelance journalist – bleken sceptisch. In Renzi zelf hadden ze best vertrouwen. Hij stelde de juiste diagnose van hun ‘zieke’ land. Ook de voorgestelde behandeling – ingrijpend hervormen – leek hen correct. Maar ze vreesden dat de premier zich kapot zal bijten op gevestigde belangen en aloude gewoonten.

Guia kent Renzi goed. De Milanese woont in Florence, waar hij de afgelopen vijf jaar burgemeester was. Een ambt dat hij gebruikte als podium om uit te halen naar de politieke ‘kaste’ in Rome. In de stad, vertelde zij, kreeg hij best wat voor elkaar. „Vooral goed zichtbare projecten: rommelige straten en een park werden ineens opgeknapt.”

De eeuwige strijd

Maar als premier zijn de rollen nu omgekeerd: burgemeesters komen bij hem aankloppen. Zoals die van Rome bijvoorbeeld. De hoofdstad gaat gebukt onder een schuld van 14 miljard en heeft acute geldnood. Onder dreiging de stad anders op slot te doen, wist de burgemeester vorige week ruim een half miljard los te weken.

Guia noemt het een van de redenen dat haar land niet vooruitkomt: de eeuwige strijd tussen steden, provincies en regio’s. Ze noemde dit campanilisimo. Italiaanse stadstaatjes, republiekjes en prinsdommen drukten hun macht eeuwenlang uit door de mooiste en hoogste klokkentoren (campanile) te bouwen. En nog vindt iedereen zijn eigen tradities, taal of gerechten het mooist, zuiverst of lekkerst.

Een bezoek aan Siena gaf een mooi voorbeeld. De lokale bank wankelt en moet zijn rol van suikeroom voor de streek opgeven. Om dit regionale belang te onderstrepen nam de persvoorlichter ons mee naar de toren van het paleisje waarin de bank kantoor houdt. Met een wijds uitzicht op het Toscaanse landschap begon hij aan te wijzen waar alle lokale specialiteiten (wijn, kaas, etc.) geproduceerd worden. Zonder leningen van de bank, stelde hij, zouden die het gaan verliezen van producten uit aartsrivaal Florence (85 km verderop).

Zelfs in Spanje werkt het beter

We lunchten bij een ‘contrada’, een van de zeventien teams die meedoen aan de wereldberoemde paardenrennen van Siena. We aten heerlijk, maar de priester die ook aanschoof, was somber gestemd. De stad zou het wegvallen van de subsidies van de bank moeten aangrijpen om ondernemender te worden. Don Giuseppe zag het tegenovergestelde gebeuren: Siena wilde Europese Culturele Hoofdstad worden. „We gaan wéér op zoek naar een patroon die geld geeft.”

In noordoostelijk Friuli trok ik vervolgens op met Antonio, geboren in Calabrië. Wat voor die zuidelijke regio geldt, zei hij, geldt voor heel Italië. „Een wonderschone vrouw, maar ook een ongelooflijke hoer.”

Hij deed zijn Erasmus-jaar in Córdoba. „Zelfs in Spanje werken de dingen beter. Alleen al iets bestellen in de bar.” In Spanje doe je dat bij de barman. In Italië moet je doorgaans eerst betalen bij een kassier, met een bonnetje kan je vervolgens bestellen. „We maken het ons zo moeilijk. En Renzi gaat dat echt niet veranderen.”

Later liet ik de foto’s van mijn kinderen zien. Daarop werd hij emotioneel. Met 33 jaar zijn we bijna even oud. Antonio en zijn vriendin zouden graag kinderen willen, maar ze zien niet in hoe. Zij woont in Calabrië waar ze een fulltimebaan kon krijgen als secretaresse, die 400 euro in de maand betaalt. Hij is werkloos, woont samen met zijn broer in Milaan en schrijft gratis voor een zelfopgerichte journalistieke website. „Kinderen kunnen we nooit betalen. Renzi mag wel opschieten.”

    • Merijn de Waal in Italië