Vroege zeekaarten waren verbluffend accuraat

In de dertiende eeuw duiken plotseling verbazend nauwkeurige kaarten op van de Middellandse Zee. Hoe waren die gemaakt? Aan de hand van waarnemingen van zeelui, beweren historici. Onmogelijk, zegt Roel Nicolai.

University of Minnesota

Het is een Big Bang. Eeuwenlang was de middeleeuwse aarde een platte schijf, met Jeruzalem geruststellend in het centrum. Aan de randen, waar de goddelijke invloed afneemt, wonen draken en andere fabeldieren. En opeens is er diezelfde aarde, althans een overzichtelijk stuk ervan, met alle kusten van de Middellandse en Zwarte Zee precies getekend op een stuk kalfshuid van één bij een halve meter. De naam van elke haven in rode en zwarte inkt, het noorden geruststellend bovenin, en Jeruzalem aan het randje waar het geografisch hoort.

Deze kaart is gemaakt in Pisa rond 1290 en verschijnt ogenschijnlijk uit het niets. Het is de eerste kaart die niet langer een idee maar een geometrische ruimte verbeeldt, en dat moet „een totaal nieuwe ervaring” zijn geweest, zegt Roel Nicolai. Als hoofd geodesie bij Shell zorgt Nicolai (60) ervoor dat alle geografische informatie van het energieconcern aan dezelfde geodetische normen voldoet. Deze week verdedigde hij aan de Universiteit Utrecht met succes zijn proefschrift over de oorsprong van de zogeheten portolaankaarten, waarvan de Carte Pisane – zij verblijft sinds 1839 in de Bibliothèque Nationale de France in Parijs – de oudste is.

Het is de eerste westerse zeekaart. Lengte- en breedtelijnen staan er nog niet op, wel een web van kompaskoersen die zeelui een goed idee gaf van de richting waarin ze moesten varen, en van de afstanden tussen havens. Het is een erg precieze kaart voor zijn tijd. Als er maar één van was, zou je denken aan een knappe vervalsing. Maar vanaf dat ogenblik duiken ze overal op, in Italië langs de Ligurische kust in Pisa en Genua, op Mallorca, en later in Venetië en Portugal. En hun precisie is nu net wat ze zo raadselachtig maakt.

Zoals veel van zijn vakgenoten hield Nicolai al langer van oude kaarten. Toen hij moest herstellen van een ziekte, verdiepte hij zich verder in de portolaankaarten en hun herkomst. Of liever: hun veronderstelde herkomst. Zeelieden noteerden kompaskoersen, afstanden en wat ze waarnamen aan verre kusten; cartografen verzamelden die informatie en maakten er een kaart van, las Nicolai keer op keer. En hij dacht: ik geloof er niets van.

Hij besloot uit te zoeken hoe precies die kaarten eigenlijk waren. Hij identificeerde een groot aantal bekende plaatsen langs de kust en voorzag ze van lengte- en breedtecoördinaten. „Tot mijn verrassing kwam er een patroon uit van min of meer rechte parallellen en meridianen, zoals op een moderne kaart”, vertelt Nicolai in het Shell-complex in de polder bij Rijswijk. „Ik dacht: dat bestáát niet, want men kon in die tijd de geografische lengte, de kortste afstand tot een nulmeridiaan, helemaal nog niet bepalen, dat lukte pas in de achttiende eeuw. En toch zitten er in deze kaarten nauwelijks lengtefouten.”

Het was het startschot voor zijn onderzoek, dat tien jaar in beslag zou nemen. Een reeks aannames van historici [zie kader] liet hij sneuvelen door ze te toetsen aan de hand van de geodesie – de wetenschap die zich bezighoudt met de vormbepaling van de aarde. Het is toch een doorbraak: het is niet langer vol te houden dat middeleeuwers op eigen houtje de portolaankaarten konden bedenken en maken.

In uw proefschrift schrijft u dat er ‘enige ruimte’ is tussen historici, die in een humanistische traditie werken, en mensen met een bèta-achtergrond.

„Mijn onderzoek onderscheidt zich door de sterk kwantitatieve bewijsvoering. Ramon Pujades, een Catalaans historicus die veel over de portolaankaarten publiceert, zei een paar jaar geleden nog dat ‘we onze obsessie met mathematische precisie moeten temperen’. Want daarin zouden middeleeuwers niet geïnteresseerd zijn geweest. Zijn denkfout is: aangezien portolaankaarten middeleeuwse producten zijn, kunnen ze niet nauwkeurig zijn. Hij ontkent dat er iets is uit te leggen. Toen ik dat las, gingen mijn haren recht overeind staan.

„De grote vraag is hoe mijn proefschrift in kaarthistorische kringen wordt ontvangen. Sommige mensen zullen niet blij zijn, maar ik hoop dat ze dit niet als een extreme mening terzijde schuiven. Veel alfamensen hebben koudwatervrees voor numerieke analyse. En de paar historici die wel aan numerieke analyse doen, hebben niet het geodetische inzicht om te zien dat ze het vaak verkeerd doen. Ik zeg niet dat je de oplossing verder aan bèta-wetenschappers moet overlaten, maar je moet het met elkaar doen. Dit hele probleem is multidisciplinair.”

Veel overgeleverde portolaankaarten lijken eerder decoratief dan bruikbaar voor praktische navigatie.

„Veel van de overgeleverde kaarten waren prestige-objecten voor kooplieden en prinsen. De Catalaanse Atlas is in de veertiende eeuw in Palma de Mallorca gemaakt in opdracht van de koning van Aragon. Het is een portolaankaart, uitgebreid met wat men toen over de wereld wist. Het Middellandse Zee-deel van die kaart is zo nauwkeurig omdat die kaart is afgeleid van een andere portolaankaart, die mogelijk wel voor navigatie was. Er zijn veel indirecte bewijzen dat portolaankaarten op schepen zijn gebruikt. Ze worden vaak genoemd in de testamenten van zeevarenden uit die tijd. En we hebben de Ristow-Skelton-kaart die wordt bewaard in de Library of Congress in Washington. Dat is een anonieme portolaankaart, vermoedelijk uit Genua, gemaakt tussen 1325 en 1350. Daar staan geen versieringen op en hij is duidelijk bijgesneden, vermoedelijk om waterschade weg te werken.

„Voor kustnavigatie lijkt de schaal van portolaankaarten inderdaad klein, maar misschien is dat meteen de verklaring voor de overdrijving van bepaalde kenmerken van de kust, zoals een kaap die op de kaart veel verder uitsteekt dan in werkelijkheid. Dat hielp degenen die op het zicht navigeert. Dat geldt ook voor de eilanden in de Egeïsche Zee die op latere portolaankaarten met een symbool worden weergegeven. Ze liggen op de juiste plaats, maar hun vorm komt niet met de geometrische vorm overeen. Kennelijk werden ze alleen gebruikt als een soort waypoints, die langsvarende kapiteins konden afvinken.”

U maakt nogal wat kanttekeningen bij de nautische geschiedenis. U laat bijvoorbeeld zien dat sommige handelsroutes gezien de heersende windrichtingen en vaareigenschappen van schepen plausibeler zijn dan andere.

„De heersende overtuiging is dat men tegen de wind in kon opkruisen en scherp aan de wind varen, omdat men het Latijnse, driehoekige zeil gebruikte in plaats van de vierkante zeilen in onze contreien. De Britse historicus David Waters zegt bijvoorbeeld dat het Latijnse tuig de zeelui ‘bevrijdde van de tirannie van de voordewindse koers’. Dat is een mooie zin, maar het is niet waar. Latijns tuig of niet, de schepen in die tijd hadden een ronde romp, zonder diepe kiel of zijzwaarden. Hoe hoger je aan de wind vaart, hoe meer je opzij wordt gezet. Dus moesten de zeelui grofweg met de wind mee varen, en dat beperkte hun mogelijkheden.”

Uw proefschrift weerlegt de hypothese dat de portolaankaarten een middeleeuws-Europese oorsprong hebben. Maar u geeft geen alternatief.

„Niemand had er moeite mee met te zeggen: we hebben dat Higgsdeeltje nog niet ontdekt, maar als we doorzoeken vinden we het wel. In dit geval gaat het om een raadsel dat we nog niet hebben opgelost. ‘Het oog ziet alleen wat de geest bereid is te begrijpen’, is een bekend gezegde. Stille aannames zijn fnuikend, ze hebben het onderzoek altijd beperkt. Er is 150 jaar om het probleem heen gecirkeld. Ik denk dat ik het paradigma van de middeleeuwse oorsprong heb doorbroken, maar er is nog geen nieuw voor in de plaats gekomen. Het risico is dat er gespeculeerd zal worden: ze komen dus uit de Oudheid. Ja, dat moet je nog wel even aantonen. Want er is geen spoor te vinden, geen referenties, en hoe kan een kwetsbaar iets als een kaart zo lang overleven? Mensen kunnen slecht omgaan met lege plekken, die willen ze invullen. Op de kaart deed men dat vroeger door er draken en kamelen te tekenen, nu op andere manieren.

„Ik wil niet speculeren, of nog erger, gekaapt worden door de pseudowetenschap en op internet lezen: Nicolai zegt dat ruimtewezens deze kaarten hebben gemaakt.”

Toch geeft u wel suggesties over de oorsprong van de kaarten.

„Het is denkbaar dat de kaarten oorspronkelijk zijn verworven door Pisa uit Constantinopel, de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk. De republiek Pisa, een mediterraan handelsknooppunt, was toen op het toppunt van zijn macht. Alexandrië zal niet de bron zijn geweest, want dan hadden de Arabieren ze wel gehad. Ik vermoed dat de Byzantijnen op een serie kaarten hebben gezeten waarvan ze de waarde zelf niet goed wisten. En ik denk dat de ‘bronkaarten’ ouder zijn dan het eind van de dertiende eeuw, wanneer de eerste portolaankaart verschijnt. Mijn hypothese is dat ze tijdens de kruistochten zijn verworven. Want in de twaalfde eeuw is er een revolutie geweest in het zeetransport en de kaarten kunnen dat mogelijk gemaakt hebben. De kruisvaarders slaagden er namelijk plotseling in om steeds meer troepen en paarden snel te vervoeren. Eerst ging het nog in kleine stukjes langs de kust, maar opeens ook over langere afstanden. Dat betekent ’s nachts doorzeilen, en dan moet je wel goed weten waar je bent. Dat kan met een portolaankaart. John Pryor, een Australische mediëvist, geeft een mooie referentie uit een Arabische bron in die tijd, die zegt dat die vervloekte christenen met hun grote schepen nu ook al ’s nachts varen. Het is geen bewijs dat die kaarten toen verschenen, maar de plotselinge verandering is wel erg intrigerend.”

    • Hans Steketee