Tijdelijk Afghaan worden, dat leek me wel wat

Schrijver Arnon Grunberg reist terug naar Afghanistan. Dit keer niet embedded. Hij probeert mee te gaan met een gedwongen uitzetting van een Afghaanse asielzoeker, maar dat lukt niet. Dan ontmoet hij Qader. Deel 1 in een serie.

Boven: Shpoen, het neefje van Qader, met Qader.Midden: Arnon Grunbergmet de moeder van Qader.En onder: Shpoen.

Afghanistan bleef roepen zoals een ex kan blijven roepen. Ik wilde terug, maar dit keer niet met het leger. Het oorspronkelijke idee was om een zogeheten uitzetting mee te maken, om mee te reizen met een Afghaanse asielzoeker (en zijn familie) die niet in Nederland mocht blijven en terug moest naar Afghanistan. Voor dat doel had ik een persbericht uit laten gaan en me ruim een jaar geleden gemeld bij de International Organization for Migration (IOM) in Den Haag, een ngo die ongedocumenteerde vreemdelingen helpt terug te keren naar het land van herkomst. Men krijgt wat geld van het IOM en tickets. Dit heet een vrijwillige terugkeer.

In hoeverre deze uitzetting werkelijk vrijwillig is, blijft de vraag, maar veel alternatieven zijn er vaak niet, behalve wachten op de gedwongen uitzetting.

Het was zoals ik al vermoedde niet zo eenvoudig een Afghaans gezin te vinden. Aanvankelijk had een gezin aangegeven dat ik mee kon reizen, maar toen de reisdatum naderde, lieten ze weten toch liever zonder mij terug te willen keren naar Afghanistan.

Het IOM berichtte dat er veel Irakezen waren die teruggingen naar het eigen land, maar afgezien van de vraag of de Irakezen mij wel op sleeptouw wilden nemen had ik mijn zinnen op Afghanistan gezet. Daar waren nog de NAVO-legers, daar was de langste oorlog uit de recente Amerikaanse geschiedenis gevoerd, ik was er al drie keer geweest om die oorlog beter te leren kennen, en volgens mij lag daar ook de grens van Europa. Het NAVO-hoofdkwartier in Kabul was de laatste buitenpost van Europa voor Azië definitief begon.

Waar Europese militairen voor Europese idealen vechten – al blijft van die idealen in de praktijk weinig over –, waar die Europese militairen bereid zijn te sneuvelen of daartoe met zachte hand worden gedwongen, daar is Europa. Bovendien zeggen de Afghaanse asielzoekers, en daarin zijn ze niet uniek: als Europa niet naar ons komt, komen wij naar Europa.

Ik deed ook bij het ministerie van Veiligheid en Justitie een aanvraag om mee te gaan met een gedwongen uitzetting – deze aanvraag loopt nog steeds – maar een kennis bracht me in contact met een in Nederland woonachtige Afghaan die samen met mij zijn in Afghanistan achtergebleven familie wilde bezoeken, een Afghaan die het was gelukt: een Nederlands paspoort bemachtigen.

Die Afghaan was Qader. Hij ziet eruit als een Nederlander met een scheutje Spaans of Italiaans bloed, hij spreekt accentloos Nederlands en woont in een rijtjeshuis in Nijmegen samen met vrouw en twee kinderen.

Volstrekt ingeburgerd, meer ingeburgerd dan veel autochtone Nederlanders.

In München was ik van de herfst een Afghaan tegengekomen die als verkoper in een dure modezaak succesvol speelde dat hij Italiaan was. Ook dat is assimilatie.

De traditionele held is opzichtig heldhaftig, maar de hartstocht waarmee de mens doet alsof hij iemand anders is, kan wat mij betreft eveneens een heldendaad zijn.

In april 2013 ging ik bij Qader eten.

Zijn vrouw is Russisch, hij heeft in de Oekraïense stad Charkov, toen nog de Sovjet-Unie, gestudeerd, waar hij haar heeft leren kennen.

Hun twee dochters, een in de vroege, een in de late puberteit, zijn niet religieus opgevoed. Misschien is dat wat je krijgt als je de islam en de Russisch-Orthodoxe Kerk optelt en door tweeën deelt: atheïsme.

Maar zoals dat gaat met opvoedingen, de dochters tonen interesse in het land van herkomst van hun beide ouders, ook religieuze interesse.

Qader zei: „Soms eet mijn jongste dochter met haar handen en als ik zeg ‘dat mag niet’, antwoordt ze, ‘maar wij zijn Afghanen’.”

Aan het einde van het diner – Qader had heerlijk Afghaans gekookt – gaf hij mij Afghaanse kleding zodat ik alvast kon wennen, want het was zaak onopvallend door het land te reizen. Eerlijk is eerlijk, van de westerling mag ook wat assimilatie worden verwacht.

„Met een beetje goede wil”, zei Qader met een ondeugende blik in zijn ogen, „kun je voor Afghaan doorgaan.”

Ik had inderdaad van mijn tijd bij de Bundeswehr in Afghanistan in de herfst van 2011 (als embedded journalist) gehoord dat Afghanen eigenlijk Ariërs waren en dat het dus in feite om een broedervolk ging. Ja, de Ariërs zijn naar Afghanistan gekomen, vermoedelijk als nomaden uit de Kaukasus. In de buurt van Kunduz ben ik rossige Afghanen tegengekomen met een huid die niet veel minder bleek was dan de mijne.

Tijdelijk Afghaan worden, dat leek me wel wat. Ontsnappen doe je eerst en vooral aan jezelf.

De dochter en vrouw van Qader waren nog nooit in Afghanistan geweest; zijn moeder had Qaders kinderen nooit ontmoet. „Ik kan ze die cultuurschok niet aandoen”, zei hij.

Terecht schatte Qader mij in als iemand die wel tegen een cultuurschok zou kunnen.

„Wij zijn klaar voor Afghanistan”, zei hij aan het eind van die avond, „nu maar afwachten of Afghanistan klaar is voor de Afghanistangangers.”

Dat laatste bleek tegen te vallen. Ons oorspronkelijke plan om van de zomer tijdens de ramadan naar Afghanistan te gaan werd door Qaders familie afgeraden. Daarom werd een nieuwe datum geprikt, in januari 2014 zouden we op reis gaan.

Aan het einde van 2013 vroeg ik op de Afghaanse ambassade in Den Haag een journalistenvisum aan, maar een paar dagen voor vertrek was het visum er nog steeds niet. „Je aanvraag ligt bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in Kabul”, werd mij te kennen gegeven, „en zolang er geen fax is uit Kabul kunnen wij niets voor je doen.”

„Wat moet ik doen als ik geen visum krijg?”, vroeg ik Qader.

„Mijn moeder roept”, antwoordde hij, „ik moet in ieder geval gaan, Arnon.”

Dat begreep ik. Afghanistan riep niet alleen mij, Afghanistan riep ook Qader. Moeders roepen nu eenmaal hun zonen en dikwijls kunnen die zonen de lokroep van hun moeders niet weerstaan, de liefde tussen ouder en kind en vice versa is een kwestie van offers.

Met hulp van Qader en de Nederlandse ambassade in Afghanistan werd er lichte druk uitgeoefend op de ambtenaren bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in Kabul en nog diezelfde dag arriveerde de langverwachte fax in Den Haag.

Toen ik mijn visum ging afhalen wilde een medewerker van de ambassade weten waarover ik ging schrijven.

„Over de mensen”, zei ik.

„Niet over de verkiezingen?”, vroeg hij – dit voorjaar zijn er presidentsverkiezingen in Afghanistan, het tijdperk Karzai loopt ten einde.

„Niet echt”, antwoordde ik.

„Heel goed”, zei de medewerker van de ambassade, „schrijf maar niet over de verkiezingen, en schrijf ook niets naars over Afghanistan, want dan krijg je de volgende keer geen visum meer. Denk eraan.”

Ach, persvrijheid is ook maar een transactie: voor wat hoort wat.

Met die gedachte verliet ik de ambassade en geen twaalf uur later vloog ik met Qader richting Dubai.

In het vliegtuig vertelde Qader me dat zijn moeder onderwijzeres was geweest op diverse plaatsen. In Afghanistan onder andere in Uruzgan, Qader was toen een baby van twee. In 2005 zat Qader in het programma Buitenhof met Hans van Baalen van de VVD, ook schreef hij een opiniestuk voor NRC Handelsblad over de op handen zijnde missie. Defensie nam daarop contact op met Qader, maar volgens hem had niemand bij Defensie behoefte aan zijn adviezen. In het vliegtuig citeert hij met milde ironie de uitspraak van minister Koenders dat Uruzgan de Betuwe van Afghanistan zal worden. Waaraan Qader toevoegt dat Uruzgan geen Betuwe was, het niet is geworden, en het vermoedelijk ook nooit zal worden, zelfs als de Nederlanders er vijftig jaar lang waren gebleven.

Het sneeuwt als we in Kabul landen. Ik herinner me mijn eerste landing in de zomer van 2006. De KDC-10 van de luchtmacht maakte na wat boven Kabul te hebben gecirkeld rechtsomkeert, terug naar de Emiraten. Omdat de bewolking te laag hing, werd er gezegd, hoewel er ook mensen in het vliegtuig zaten die beweerden dat we waren beschoten.

De bewolking hangt op 8 januari 2014 nog lager dan die dag in juli 2006, maar de Airbus 340 landt keurig.

Bij de bagageband probeert een kruier zich over onze bagage te ontfermen en voert een kort gesprek met Qader.

„Wat zei hij?”, vraag ik.

Qader antwoordt: „Daarom wordt het hier niet beter. Laat mij wat geld verdienen.” Als Qader niet op zijn verzoek ingaat, beschuldigt de jongen hem van verraad.

Een oude bus brengt ons naar een gebouw dat bij het vliegveld hoort. Om het vliegveld vanuit de stad te bereiken moet je te voet door diverse checkpoints en veiligheidscontroles. Deze ongemakken zijn te wijten aan de strijd tegen zelfmoordaanslagen en andere vormen van terrorisme.

De broer van Qader, Sediq, haalt ons af.

Qader heeft me verteld dat zijn broer heel anders is dan hij, hij is een soefie. Het soefisme is een vorm van mysticisme, een broederschap waaraan ook niet-moslims kunnen deelnemen.

Sediq drukt me stevig tegen zich aan. „De soefibroeders willen je hart voelen kloppen, zo leggen ze contact met je”, licht Qader toe.

Het is geen onprettige omhelzing.

We rijden naar het nabijgelegen huis waar Qaders moeder en zijn broer wonen.

Op een binnenplaats annex tuin wordt de auto geparkeerd onder een afdakje dat in de zomer vermoed ik tegen de zon moet beschermen.

Terwijl wij onderaan de trap onze schoenen uittrekken zegt Qader: „Mijn moeder maakte zich zorgen dat ze geen tafel had, maar ik zei tegen haar: wij eten ook op de grond.”

„Natuurlijk”, antwoord ik, „ik pas me volledig aan.”

In de slaapkamer, een kamer die uitkijkt op een soort van afgeschermd balkon waar allemaal planten staan, zit de moeder van Qader op haar bed. Het is er aangenaam warm.

We gaan naar de kamer ernaast, waar wij op de grond een maaltijd krijgen geserveerd.

Qaders moeder zit op een stoel en kijkt toe. Ze heeft al gegeten.

Een neefje van Qader, Shpoen (‘herder’ in het Pashtu) bedient ons, wast onze handen en hij rent rondjes door de kamer. Hij is veertien, maar hij ziet er jonger uit.

„De kinderen werken hard hier”, zegt Qader.

Voor we aan de maaltijd beginnen, eten we een rauwe ui. „Dat is gewoonte”, zegt Qader, „na een lange reis eet je een rauwe ui om de bacteriën te verdrijven.”

Zijn schoonzus en oudere nichtjes zijn nergens te bekennen, die zijn elders in het huis. De vrouwen zijn hier als huisspoken, onzichtbaar voor de gast.

Maar de moeder is wel zichtbaar. De moeder kijkt vergenoegd toe terwijl haar zoon en de gast het zich laten smaken.

De moeder ziet alles.

    • Arnon Grunberg