Slakkenliefde

Fictie // Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Vandaag, ter gelegenheid van Internationale Vrouwendag, een fragment uit Vrouwen van cultheld Charles Bukowski. Zijn alter ego Henry Chinaski staat bekend als groot vrouwenliefhebber, vrouwenverslinder en vrouwenhater. Eén ding is zeker: zijn vrouwen zijn geen dametjes.

Lydia had twee kinderen; Tonto, een jongetje van acht, en Lisa, die kleine meid van vijf die onze eerste neukpartij verstoord had. Op een avond zaten we samen aan tafel te eten. Het ging heel goed tussen Lydia en mij en ik bleef haast iedere avond eten, sliep dan met Lydia en ging de volgende morgen om een uur of 11 terug naar huis om de post door te nemen en te schrijven. De kinderen sliepen in de kamer ernaast op een waterbed. Het was een oud klein huis dat Lydia van een voormalige Japanse worstelaar huurde die nu in onroerend goed deed. Hij was duidelijk in Lydia geïnteresseerd. Dat gaf niet. Het was een fijn oud huis.

‘Tonto,’ zei ik onder het eten, ‘je weet dat wanneer je moeder ’s nachts schreeuwt ik haar niet aan het slaan ben. Je weet wie er dan echt in de moeilijkheden zit.’

‘Ja, dat weet ik.’

‘Waarom kom je me dan niet helpen?’

‘Uh-uh. Ik ken haar.’

‘Hank,’ zei Lydia, ‘jut mijn kinderen niet tegen me op.’

‘Hij is de lelijkste man van de wereld,’ zei Lisa.

Ik mocht Lisa wel. Ze zou eens een sexy stuk zijn, een sexy stuk met persoonlijkheid.

Na het eten gingen Lydia en ik naar onze slaapkamer en strekten ons op bed uit. Lydia deed aan mee-eters en puisten. Ik had een slechte huid. Ze duwde de lamp naar beneden tot vlak bij mijn gezicht en begon. Ik vond het lekker. Alles begon te tintelen en soms kreeg ik een stijve. Heel intiem. Soms gaf Lydia me tussen het uitknijpen door een kus. Ze deed altijd eerst mijn gezicht en ging dan verder met mijn rug en borst.

‘Hou je van me?’

‘Ja.’

‘Oooo, moet je deze zien!’

Het was een mee-eter met een lange gele staart.

‘Leuk,’ zei ik.

Ze lag plat boven op me. Ze hield op met knijpen en keek me aan. ‘Ik zal je het graf injagen, ouwe papzak!’

Ik lachte. Toen kuste Lydia me.

‘Ik zal je het gekkenhuis weer injagen,’ zei ik.

‘Draai je ’s om. Ik wil je rug doen.’

Ik draaide me om. Ze kneep in mijn nek. ‘Ooo, dat was een goeie! Het spoot eruit! Zo in m’n oog!’

‘Je zou een duikbril moeten dragen.’

‘Laten we een kleine Henry maken! Stel je ’s voor, een kleine Henry Chinaski!’

‘Laten we nog even wachten.’

‘Ik wil nu een baby!’

‘Laten we wachten.’

‘Het enige wat we doen is slapen en eten en rondhangen en vrijen. We zijn net slakken. Ik noem het slakkenliefde.’

‘Ik vind het fijn zo.’

‘Vroeger schreef je hier. Je was bezig. Je bracht inkt mee en maakte tekeningen. Nu ga je naar huis en doe je alle interessante dingen daar. Je komt hier alleen om te eten en te slapen en dan ga je direct ’s morgens weer weg. Het is saai.’

‘Ik vind het fijn zo.’

‘We zijn in geen maanden naar een feest geweest! Ik vind het fijn om mensen te zien! Ik verveel me! Ik verveel me zo stierlijk dat ik op het punt sta om gek te worden! Ik wil dingen doen! Ik wil DANSEN! Ik wil leven!’

‘O, shit.’

‘Je bent te oud. Je wilt alleen maar op je reet zitten en op alles en iedereen aanmerkingen maken. Je wilt helemaal niets doen. Niets is goed genoeg voor jou!’

Ik rolde me om en stond op. Ik begon mijn overhemd aan te trekken.

‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg ze.

‘Ik ga ervandoor.’

‘Daar ga je weer! Zo gauw de zaken even niet naar je zin zijn spring je op en ren je de deur uit. Je wilt er nooit over praten. Je gaat naar huis en wordt stomdronken en dan ben je de volgende dag zo ziek als een hond. En dan bel je me op!’

‘Ik ga er als de sodemieter vandoor!’

‘Maar waarom?’

‘Ik wil niet ergens blijven waar ik ongewenst ben. Ik wil niet ergens blijven waar ik niet op prijs gesteld word.’

Lydia wachtte. Toen zei ze: ‘Goed dan. Kom nou, ga ’s liggen. We zullen het licht uitdoen en gewoon stil bij elkaar liggen.’

Ik wachtte. Toen zei ik: ‘Goed, vooruit dan.’

Ik kleedde me helemaal uit en kroop onder de dekens en lakens. Ik drukte mijn zij tegen Lydia’s zij. We lagen alle twee op onze rug. Ik kon de krekels horen. Het was een aardige buurt. Enkele minuten verstreken. Toen zei Lydia: ‘Ik ga het helemaal maken.’

Ik gaf geen antwoord. Weer verstreken er enkele minuten.

Toen sprong Lydia het bed uit. Ze stak haar beide armen omhoog naar het plafond toe en zei met luide stem: ‘IK GA HET HELEMAAL MAKEN! IK GA HET HELEMAAL MAKEN! NIEMAND WEET HOE FANTASTISCH IK HET ECHT HELEMAAL GA MAKEN!’

‘Goed,’ zei ik.

Toen zei ze met zachtere stem: ‘Je begrijpt het niet. Ik ga het maken. Ik heb meer potentieel dan jij!’

‘Potentieel,’ zei ik, ‘heeft geen moer te betekenen. Je moet het doen. Bijna iedere baby in de wieg heeft meer potentieel dan ik.’

‘Maar ik GA het doen! IK GA HET ECHT HELEMAAL MAKEN!’

‘Goed,’ zei ik. ‘Maar kom ondertussen weer terug in bed.’

Lydia kwam terug in bed. We kusten elkaar niet. We zouden niet vrijen, dat was duidelijk. Ik voelde me moe en was het zat.

Ik luisterde naar de krekels. Ik weet niet hoeveel tijd er voorbijging.

Ik was bijna in slaap, niet helemaal, toen Lydia plotseling rechtop in bed ging zitten. En ze schreeuwde. Het was een harde schreeuw.

‘Wat is er?’ vroeg ik.

‘Stil.’

Ik wachtte. Lydia zat daar een dikke tien minuten zonder zich te bewegen. Toen viel ze terug in de kussens.

‘Ik heb God gezien,’ zei ze, ‘ik heb net God gezien.’

‘Jezus, trut, je maakt me stapelgek!’

Ik stond op en begon me aan te kleden. Ik was kwaad. Ik kon mijn onderbroek niet vinden. Hij kan de pot op, dacht ik. Ik liet hem waar hij mocht zijn. Ik had al mijn kleren aan en zat op een stoel mijn blote voeten in mijn schoenen te duwen.

‘Wat doe je?’ vroeg Lydia.

Ik kon geen antwoord geven. Ik ging naar de voorkamer. Mijn jas had ik over een stoel geslingerd en ik pakte hem op en deed hem aan. Lydia rende de voorkamer in. Ze had haar blauwe negligé aangedaan en een slipje. Ze was op blote voeten. Lydia had dikke enkels. Ze droeg meestal laarzen om ze te verbergen.

‘JIJ GAAT NERGENS MEER NAARTOE!’ schreeuwde ze tegen me.

‘Shit,’ zei ik, ‘ik smeer ’m.’

Ze stoof op me af. Ze ging me gewoonlijk te lijf als ik dronken was. Nu was ik nuchter. Ik deed een stap opzij en ze viel op de grond, rolde om en lag op haar rug. Ik stapte over haar heen op weg naar de voordeur. Ze blies van woede, gromde, liet haar tanden zien. Ze leek wel een luipaard. Ik keek op haar neer. Ik voelde me veilig met haar op de vloer. Ze gromde en toen ik aanstalten maakte om weg te gaan, stak ze haar handen omhoog en porde haar nagels in de mouw van mijn jas, trok en scheurde de mouw van mijn arm. Hij was bij de schouder van de jas afgescheurd.

‘Jezus Christus,’ zei ik, ‘moet je kijken wat je met mijn nieuwe jas hebt gedaan! Ik heb hem net gekocht!’

Ik opende de voordeur en sprong naar buiten met één blote arm.