Rollercoaster kunst

Het werk van Philippe Parreno is te ervaren als een bezoek aan een pretpark. Kunst voor hoofd en hart, huid en haar, brein en benen.

tekst Bianca Stigter

Heb je de sinaasappels geroken?

Heb je de wind gevoeld?

Het zijn vragen over een attractie in Disneyland bij Los Angeles, Soarin’ Over California. Daarin lijk je zittend op een soort zwevende bank te vliegen boven allerlei Californische landschappen, gefilmd met een camera die alle kanten op gaat. Je duikt naar beneden boven de zee, zwenkt over een golfcourse en als je een sinaasappelboomgaard nadert, ruik je de geur van de vruchten. Wie net in Soarin’ Over California geweest is, krijgt er enthousiaste vragen over van eerdere bezoekers. Had je hoogtevrees?

Zulke vragen krijg je meestal niet na het bezoek van een tentoonstelling in een museum. Dan wil men weten: Was het wat? Is het echt zo goed? Er wordt gevraagd om een oordeel, niet naar een ervaring. Maar over de tentoonstelling van de Franse kunstenaar Philippe Parreno (49) in het Palais de Tokyo in Parijs kon je zulke vragen wel stellen.

Heb je de sneeuw gevoeld?

Heb je de geheime deur gevonden?

Ben je de weg kwijtgeraakt?

Ben je Marilyn Monroe geworden?

Zowel Disney als Parreno zijn uit op een totaalervaring, één die alle zintuigen bespeelt, niet alleen het oog en het oor, zoals in de kunst het gebruikelijkst, maar ook de tast, de geur, het evenwichtsorgaan. Een Gesamtkunstwerk voor alle zintuigen en alle lichaamsdelen, voor hoofd en hart, voor huid en haar, voor brein en benen. Bij de pretparken van Disney zijn we aan die ervaring op meerdere fronten gewend geraakt, al blijft geur een nieuwigheid.

Maar het schijnt dat mensen al omstreeks 1910 geur aan stomme films probeerden toe te voegen, nog voor de komst van geluid dus. In de jaren vijftig, toen de film concurrentie kreeg van de televisie, deed men in de bioscoop diverse pogingen met systemen als AromaRama en Smell-O-Vision. Nu zijn er apps met geuren. Hang een dongel aan je smartphone en je kunt gewekt worden met de geur van gebakken spek of middels rozengeur gewaar worden dat je geliefde een bericht heeft gestuurd.

In de kunst blijft zo’n totaalervaring ook een eeuwig streven. Beeldend kunstenaars morrelen al heel lang aan het primaat van het oog. Job Koelewijn deed museumzalen bijvoorbeeld naar bouillonblokjes en pepermunt geuren, Rirkrit Tiravanija kookte hele maaltijden in het museum, Franz West liet bezoekers zijn sculpturen aantrekken, als een soort buitenissige kledingstukken. Meest recente voorbeeld is Tino Sehgal, die bezoekers laat praten met de vrijwilligers die zijn choreografieën uitvoeren. Dit zijn slechts enkele voorbeelden, er zijn er nog veel meer. Je zou de geschiedenis van de beeldende kunst niet alleen kunnen schrijven als een poging om tot de kern van het medium te geraken, zoals in de klassieke Greenbergiaanse lezing waarin Mondriaan, Malevitsj en de abstract expressionisten de schilderkunst tot het bot uitbeenden en alleen nog zeiden wat alleen met schilderkunst te zeggen is, maar ook als een poging om aan dat hele medium te ontsnappen, om weg te raken van dat platte, statische vlak en geluid, beweging, geur, tast, smaak en gesprekken toe te voegen.

Die twee neigingen volgen elkaar niet op in de tijd, maar overlappen elkaar en zijn soms zelfs in het werk van een en dezelfde kunstenaar te vinden. Philippe Parreno (Grenoble, 1964) is vooral geneigd tot de tweede stroming. Van elk medium zoekt hij de zwaktes en de sterktes, overschrijdt de vermeende grenzen, doet wat juist bij dat medium niet voor de hand ligt. Het is geen wonder dat John Cages compositie 4’33” een van zijn favoriete muziekstukken is. 4’33” is een silent piece, er wordt geen instrument in aan geraakt. Parreno zelf maakte in 2012 het werk How Can We Know the Dancer from the Dance? Daarin horen we de voetstappen van dansers van de Merce Cunningham Company, maar zien doen we ze niet. Het ronde podium blijft leeg. De serie posters Fade to Black speelt weer op een andere manier met onzichtbaarheid: de afbeeldingen op de vlakken fel gekleurd papier zijn alleen in het donker zichtbaar. Maar in het museum is het altijd licht.

Zichtbaar maar tegelijkertijd onzichtbaar zijn de vroege films van Parreno die hij tegenwoordig op een gigantisch scherm vol gaatjes laat projecteren. Hoe dichter je erbij komt, hoe doorzichtiger het wordt. Van een afstand vermengen bezoekers achter het scherm zich met de beelden erop; telkens een nieuwe film dus. In één film besteedt Parreno de schilderkunst uit aan een dier, een reusachtige inktvis die naar believen van kleur kan veranderen.

Philippe Parreno’s grootste tentoonstelling tot nu toe werd in 2013 en begin 2014 gehouden in het Palais de Tokyo. Anywhere, Anywhere Out of the World was te zien als een stormachtige poging tot een totaalervaring. Het begint al buiten. Op de gevel van het statige gebouw flikkeren lichten als op een ouderwetse bioscoop. Wie onder deze marquee door naar binnen gaat, zal niet iets zien. Hij zal iets meemaken. Het monumentale gebouw, dat in 1937 gebouwd werd om onderdak te bieden aan een Wereldtentoonstelling, is op zichzelf al een belevenis. Met 22.000 vierkante meter is het na een verbouwing in 2012 de grootste expositieruimte in Europa voor hedendaagse kunst. Een gelikte ruimte is het niet, het oogt eerder alsof je een oude fabriek binnenloopt, die juist niet tot museum verbouwd is. Een soort Centre Pompidou binnenstebuiten.

Parreno is de eerste kunstenaar die deze gigantische ruimte in zijn eentje mocht vullen. Hij deed dat door eigen werk neer te zetten, zoals een groot aantal marquees (alle met de titel ‘Marquee’), een paar bevriende kunstenaars uit te nodigen een werk te installeren, onder wie Liam Gillick, maar vooral door al dat werk in een soort choreografie voor de bezoeker op te nemen. Die vindt zijn weg niet door pijlen en bordjes, maar gaat het gebouw rond, aangetrokken door licht of geluid. Dan blijkt dat Parreno een ontsnappingskunstenaar is die zijn publiek door de ruimte heen manipuleert. Ook de verwarring is gecalculeerd. In de donkere, verlaten ruimtes is het soms zoeken naar een werk. Ben ik verdwaald? Elk kunstwerk komt als een verlossing, elk raam als een bezoeking. Zou dit ook een kunstwerk zijn? Anywhere , Anywhere Out of the World is een spookhuis.

Parreno vergelijkt de tentoonstelling zelf met een film, een muziekstuk, een machine, een choreografie, een wolkenfabriek. Voor elke vergelijking biedt hij munitie. De tentoonstelling is bijvoorbeeld georkestreerd op het ritme van de muziek van het ballet Petroesjka (1911) van Igor Stravinsky, die op verschillende plekken in het museum op een pianola te horen is. Grote lichtinstallaties flikkeren op het tempo van deze muziek. De tekstbordjes zijn vervangen door iPads, waarop telkens een fragment te lezen is van een verhaal dat Parreno ooit schreef over een feest, en dat af en toe wonderlijk accuraat elk zintuig bespeelt. Parreno is zo goed in het bespelen van een ruimte dat hij tegenwoordig ook tentoonstellingen van anderen inricht, zoals de opzienbarende tentoonstelling The Bride and the Bachelors waarin de invloed van Marcel Duchamp op componist John Cage, choreograaf Merce Cunningham en schilders Jasper Johns en Robert Rauschenberg werd onderzocht. Voor deze tentoonstelling, die vorig jaar te zien was in Philadelphia en Londen, ontwierp Parreno ook een geluids- en lichtprogramma, dat de bezoeker op een rijkere manier langs de werken leidt. Er rijden opeens auto’s door het museum, althans, ze zijn keihard te horen als je door de meestal met gewijde stilte gevulde zalen loopt.

Heb je de sinaasappels geroken?

Heb je de dansers gehoord?

Parreno is net als Disney uit op een totaalervaring. Er zijn ook verschillen. In Disneyland, ‘The Happiest Place on Earth’ zoals de slogan luidt, kan de gechoreografeerdheid van de ervaring benauwend werken. Iedereen schrikt, lacht en bewondert op hetzelfde moment. Bij Parreno is de ervaring minder benauwend omdat het gebodene poëtischer is. En ook negatieve emoties mogen onderdeel zijn van het geheel. Bij Disney is alles geweldig, fantastisch en ongelooflijk. Bij Parreno is het ook vaak saai, irritant, om wanhopig van te worden.

Het zou mooi zijn als een kunstenaar als Parreno eens een ride of een rollercoaster voor Disney mocht ontwerpen. Het Palais de Tokyo is groot, maar een ride als Pirates of the Caribbean is nog veel groter. Hoe zou een ride van een kunstenaar eruitzien? Een kunstwerk op die schaal, wat zou het opleveren? De enige achtbaan die ik ken die door een kunstenaar is ontworpen is de Euthanasia Rollercoaster van de Britse filosoof Julijonas Urbonas, een achtbaan zo snel dat de rit niet te overleven is. Deze zou mensen die dood willen in de gelegenheid stellen ‘met elegantie en euforie’ te sterven. Vanzelfsprekend is er van deze achtbaan alleen een schaalmodel gemaakt. Toch geeft dit extreme idee aan dat er met het medium van de achtbaan en het pretpark meer mogelijk is dan nu wordt uitgevoerd.

Voor films heeft Disney wel geprobeerd met kunstenaars samen te werken. Salvador Dalí werkte in de jaren veertig zowel met Hitchcock als met Disney aan filmprojecten. Veel heeft die samenwerking niet opgeleverd, de droomscènes in Spellbound en de korte tekenfilm Destino, die pas in 2003 werd voltooid. Zou Parreno ervoor voelen? Als ontsnappingskunstenaar houdt hij in ieder geval van samenwerken, al is dat voorlopig vooral met andere kunstenaars geweest, generatiegenoten als Pierre Huyghe en Dominique Gonzalez-Foerster. Of gedijt zijn werk alleen binnen de context van de beeldende kunst? Misschien blijft er buiten het museum weinig van zijn werk over. Het zou kunnen dat zijn vondsten alleen opzienbarend zijn voor wie vooral musea bezoekt en geen pretparken. Een hamburger in een sterrenrestaurant.

Parreno brengt in musea wel vaak populaire cultuur naar binnen. Een van zijn nieuwste werken, ‘Marilyn’, is een video over filmster Marilyn Monroe. Een camera filmt in een suite van het Waldorf Astoria hotel in New York, waar Monroe in de jaren vijftig heeft gewoond, en het is alsof je de kamer door haar ogen ziet. Aan het eind van de film steekt achter het scherm een sneeuwstorm op. Ook op zijn tentoonstelling in de Serpentine Gallery in Londen liet Parreno het al eens plaatselijk sneeuwen.

Zijn nog steeds beroemdste film maakte Parreno in 2006, een portret van anderhalf uur – de lengte van een voetbalwedstrijd en de lengte van een speelfilm – van de voetballer Zinédine Zidane. De film, die hij samen met Douglas Gordon maakte, werd opgenomen tijdens een wedstrijd tussen Real Madrid en Villarreal. Wie er wint is niet te zeggen, de camera volgt niet de bal maar de speler. Het idee is nog opwindender dan de uitvoering, al is die in het Palais de Tokyo spectaculairder dan anders. De opnames van de zeventien camera’s waarmee Parreno en Gordon Zidane lieten volgen, hebben in het Palais de Tokyo allemaal een eigen scherm gekregen. Die schermen hangen lukraak verspreid in een donkere ruimte. Geluid wijst het oog de weg; nu eens gaat het aan bij het ene, dan weer bij het andere scherm. Het gejuich en gefluit betekenen verder niets meer, ze zijn een soort muziek geworden.

Dat is misschien nog het meest wonderlijke aan de tentoonstelling van Parreno. Je wordt ondergedompeld in beeld en geluid, elk zintuig wordt bespeeld, maar wat beklijft is een reeks sensaties; van abstracties, alsof een pretpark echt is ingericht door een kunstenaar. Misschien hoeft Parreno niet meer voor Disney te gaan werken, misschien heeft hij dat hier eigenlijk al gedaan. Geen bergen meer, geen sinaasappels, geen piraten, geen Indiana Jones. Maar licht, kleur, geluid, gevoel, losgezongen van context en betekenis. Misschien is het ultieme kunstwerk voor hem helemaal geen kunstwerk meer.

Parreno ontsnapt naar het niets.

De tentoonstelling in het Palais de Tokyo is al afgelopen, hij duurde tot 14 januari 2014. Er is niets van overgebleven. Net als bij een echt pretpark kon je een souvenir meenemen. Bij Disney zijn dat meestal foto’s van jezelf in een attractie; gillend, met de handen omhoog, eindelijk in een pose die je niet van tevoren kunt bedenken. Van Anywhere, Anywhere Out of this World blijft ook iets over. Even. Bezoekers van de tentoonstelling kregen een dvd mee, waarop twee films van Parreno staan. Je kunt ze maar één keer bekijken, dan worden de films vanzelf gewist. Er blijft helemaal niets over.

    • Bianca Stigter
    • Tekst