Peter’s pleasures

Peter Saville (57) ontwierp legendarische platenhoezen in de jaren tachtig. Zijn invloed is overal terug te zien. Toch was hij liever kunstenaar geworden, of modeontwerper. ‘Ik denk de hele dag aan kleren.’

tekst Gert Jonkers

Lp-hoezen, van boven naar beneden: OMD, Orchestral Manoeuvres In The Dark (1980); Pulp,We Love Life (2001); Peter Gabriel,Sledgehammer (1986)

Peter Saville is de gelauwerde grafisch ontwerper die verantwoordelijk is voor een aantal van de beroemdste platenhoezen uit de jaren tachtig en negentig. Maar voordat we daarover te spreken komen, houdt hij een fraaie monoloog over mannenmode. Een dialoog is ook niet zo makkelijk: in de Londense gentleman’s club The Ivy speelt het huisorkest er vrolijk op los. „Ken je die oude uitspraak van Donna Karan?”, zegt Saville (58). „Ze zei: ‘Vroeger hadden vrouwen een reisgarderobe; tegenwoordig ís dat hun garderobe.’ Ik weet niet of dat helemaal opgaat voor vrouwenmode, maar voor mannen des te meer. Wij, mannen, willen praktische kleren. Vooral als we er veel geld aan uitgeven. Ik wil best een paar duizend pond betalen voor een goede winterjas, maar dan wel eentje die in alle omstandigheden functioneert.”

Hij wijst naar zijn schoenen: blauwe instappers. „Ik bestel ze bij Edward Green, die maken ze voor me. Iedereen is tegenwoordig geobsedeerd door schoenen met leren zolen. Die zijn heel fijn, maar ook onpraktisch. Het regent en je hebt er niks meer aan. Dus ik laat deze schoenen maken met rubberen zolen. Ik heb ze in alle kleuren.”

Waarop de overstap naar maatkleding snel gemaakt is. Er is geen verband tussen Savilles achternaam, met twee l’en, en de beroemde maatpakkenstraat in Londen, Savile Row, behalve de identieke uitspraak (het rijmt op devil), en dat hij er een uitgesproken mening over heeft.

Saville was als art director jarenlang betrokken bij het Savile Row-merk Kilgour, totdat de nieuwe eigenaar de relatief moderne modekoers een paar jaar geleden terugdraaide naar het op maat gemaakte pak. „Onbegrijpelijk en stompzinnig”, zegt Saville. „Maatwerk is van een andere tijd, toen heren nog bochels en verlamde armen hadden, of klompvoeten. Die móesten met hun orthopedische problemen wel naar een kleermaker of een schoenmaker die op maat maakte – ze kunnen wonderen verrichten in het verdoezelen van een scheef lichaam. Maar voor wie gaat dat nu nog op? Bovendien is het nogal saai om twaalf weken op je pak te moeten wachten – je moet wel een enorme liefhebber zijn om dat geduld op te brengen of de subtiele kwaliteit van maatwerk te onderscheiden. Het heeft geen commerciële realiteit meer. Een mooie, maar onhoudbare luxe.”

De pointe van deze monoloog? Peter Saville had ook modeontwerper kunnen zijn, zegt hij. „Dat zou toch ideaal zijn? Ik denk de hele dag aan kleren. Het eerste wat er ’s ochtends door mijn hoofd schiet is: wat trek ik aan? Als je daar je carrière van kunt maken – dat is inspiratie op de automatische piloot. Welke kleren heb ik deze lente nodig? Wat wil ik komende winter aan? Wat is een goed paar zomerschoenen? Ik kan het je precies vertellen, dus waarom zou ik geen succesvol modemerk kunnen voeren? Maar toen ik van de middelbare school kwam, had ik geen idee dat er zoiets als modeontwerpen bestond. Helaas.”

De spijt wekt verbazing omdat de beroepskeuze die Saville wél maakte zo succesvol uitpakte. Hij ging naar de kunstacademie. „Het allerbeste was natuurlijk geweest om fine art te studeren, zeker als ik had geweten hoe kunst en de kunstmarkt zich in de jaren tachtig en negentig zouden ontwikkelen. Maar het idee om kunstenaar worden, in Manchester, in 1974? Dat stond gelijk aan kiezen voor de bedelstaf.”

En dus viel de keuze van de jonge Saville op grafisch ontwerpen. Hij raakte na zijn eindexamen betrokken bij The Factory, een wekelijkse clubavond waar nieuwe bands optraden en waarvoor hij de posters en flyers ontwierp. Hij deed dat met zo’n drang naar perfectionisme en zo weinig notie van haast dat hij soms pas klaar was met de poster als het optreden dat die poster moest aankondigen al voorbij was.

Saville en zijn vrienden richtten ook een label op, Factory Records. Voor het allereerste album hadden de muzikanten in een wetenschappelijke publicatie een illustratie van een driedimensionaal golfpatroon gevonden. Saville plaatste het beeld klein, in een zee van zwart karton. De naam van de band en de titel van het album kwamen op de achterkant: Joy Division en Unknown Pleasures. Het was 1979.

Na de dood van zanger Ian Curtis, toen de band zich voortaan New Order noemde, vond Saville een vreemd plat object bij New Order in de studio, en voor de hoes van hun bizar lange single (bijna zevenenhalve minuut) vergrootte hij het ontwerp van het object naar 12 inch – ziedaar de op een floppydisk lijkende hoes van ‘Blue Monday’. „De best verkochte maxisingle aller tijden”, vermeldt Saville met trots.

Voor het bijbehorende album, met de titel Power, Corruption & Lies, zocht Saville naar een geschikt beeld en stuitte in het ansichtkaartenrek van de National Portrait Gallery in Londen op een stilleven van een bloemstuk van de negentiende-eeuwse Franse schilder Henri Fantin-Latour. Het leverde een geniale platenhoes op – een die het cynische hedonisme in de titel veel romantischer verbeeldde dan een portret van een schurk had kunnen doen.

Saville werd een veelgevraagd hoesontwerper, voor Orchestral Manoeuvres in the Dark, Martha and the Muffins, en later voor Roxy Music (twee dames met speren op Flesh + Blood; een valkenier op de rug gezien voor Avalon), Peter Gabriel en Wham!. Zijn visuele taal, met de simpele kracht van goede propaganda, nestelde zich wereldwijd in het brein van miljoenen muziekfans.

Ondertussen maakte Saville de huisstijl voor The Haçienda, de nachtclub in Manchester, bakermat van opwindende muziek. (De grafische stijl die Saville voor The Haçienda ontwikkelde doet het, 35 jaar later, nog steeds goed in dancekringen. De banner die momenteel in Amsterdam-Noord op de oude Shelltoren hangt, ter aankondiging van ID&T’s partycentrum dat daar zal komen, refereert rechtstreeks aan Savilles posters voor The Haçienda.)

Achttienjarige muzikanten

„Op een goed moment had ik wel door dat ik niet mijn hele leven platenhoezen moest blijven maken”, zegt Saville. Hij liep tegen de dertig, en had helemaal geen zin om met achttienjarige muzikanten in de clinch te gaan over een hoesontwerp. „Dat was de eerste keer dat ik spijt had van mijn beroepskeuze.” Maar niet getreurd, zijn haarscherpe esthetische oog en goede smaak bleken ook inzetbaar in andere disciplines. Saville ontwierp catalogi voor modeontwerper Yohji Yamamoto, en logo’s voor de modeontwerpers Alexander McQueen, Givenchy, Stella McCartney en Mandarina Duck. Zijn methodiek om beelden en stijlen te ‘lenen’ en met veel smaak toe te passen in een ander medium, werkte ook buiten de popmuziek.

Ik merk op dat hij misschien ook wel precies op tijd ophield met platenhoezen – toen ze van een genereuze lap karton tot cd-boekje werden gedegradeerd. Tegenwoordig zijn ze nog slechts een postzegel op iTunes en Spotify. Saville is het er niet helemaal mee eens. „Er worden nog steeds hoezen ontworpen.” Saville zelf zal ze niet meer maken. „Dat kan ik helemaal niet meer, ik heb al tien jaar geen ontwerpstudio meer. Ik kan zelf niks op een computer, en zonder ontwerpassistent zou ik niet weten hoe ik een hoes moet maken.”

Feit is wel dat de hoes inderdaad aan statuur inbond, en dat de ontwerper ook steeds minder betaald kreeg voor een goed hoesontwerp. „Peter Gabriel is nóg kwaad voor wat hij betaald heeft voor de hoes die ik in 1987 ontworpen heb. Tegenwoordig krijgt een ontwerper eentiende daarvan.”

Het huisorkest van de Ivy is inmiddels met iets ‘Girl from Ipanema’-achtigs bezig, en Saville wijdt met verve uit over de verschillen tussen arm en rijk in Londen, en hoe deprimerend het moet zijn om nu op te groeien. „Een en al cynisme.” Hij praat over Bryan Ferry, al sinds mensenheugenis zijn idool, en „een schoolvoorbeeld van een man die enorm stylish ouder wordt”.

Savilles cv vermeldt periodes waarin hij een eigen studio runde, en tijden waarin hij voor anderen werkte – beide nooit helemaal naar genoegen. Zakendoen lag hem niet. Sinds een jaar of tien heeft hij een manier gevonden om niet al te gebonden te zijn en toch geld te verdienen – dikwijls als leverancier van ideeën. Hij ontwierp schoenen voor Adidas, een serie poloshirts voor Lacoste, en hielp mee met de collectie voor deze zomer van Y-3, de samenwerking tussen Adidas en Yohji Yamamoto. Hij is al tien jaar art director van de stad Manchester, een fascinerende titel die inhoudt dat hij eens in de week de trein naar het noorden neemt en meedenkt over de stad – iets tussen denktank, ontwerpen en politiek in.

Saville houdt van praten en hecht veel waarde aan het vangen van de tijdgeest in woorden. Momenteel is ‘meaningless excitement’ zijn mantra. Hij ontdekte de uitdrukking in een recensie van de film Django Unchained in The Guardian: „Tarantino’s usual mix of almost meaningless excitement.” Hij spreekt het uit als ware poëzie. „Meaningless excitement. Twee woorden die de tijdgeest perfect beschrijven, vindt Saville. „Dus elke keer als ik een nieuw restaurant zie, of een nieuwe auto, wéér een nieuw tijdschrift, weer een nieuwe handtas of een nieuw paar sportschoenen, dan denk ik ‘meaningless excitement’. De ironie wil natuurlijk dat, toen hij het mantra aan Yohji Yamamoto vertelde, die de term leende voor de lente/zomer-collectie van Y-3.

De manier waarop Saville een term leent en op iets anders plakt, illustreert ook precies waar Saville goed in is: hij leent ontwerpstijlen, beelden, of uitdrukkingen, en plakt ze op een ander medium, waardoor ze een diepere betekenis krijgen, naast dat zijn beelden en uitdrukkingen ook altijd móói zijn.

„Ik ben oud genoeg om The Beatles op de BBC ‘All You Need Is Love’ te hebben zien zingen. Daar prijs ik me gelukkig mee. Het was zo’n uiting van optimisme en idealisme. Daarna, halverwege de jaren zestig, sloeg het al snel om naar ironie en cynisme.”

Saville beseft terdege dat zijn postmodernistische werkwijze – het lenen van beelden, het gebruik van een negentiende-eeuws schilderij voor de moody muziek van een jarentachtigpopgroep – een pleitbezorger van die ironie is. En het is aanstekelijk. „Op een gegeven moment liep ik door Heathrow en zag ik overal Saville-achtige reclames voor sigaretten en kauwgom.” Het dieptepunt was voor hem een campagne voor de uitverkoop van Selfridges waarbij ze de slogan ‘I shop therefore I am’ van de Amerikaanse kunstenares Barbara Kruger leenden. „Afschuwelijk, toch? De verkwanseling van kunst.”

Dat brengt hem terug bij het lastige van de juiste beroepskeuze, en hoe hij graag veertig jaar geleden meteen als kunstenaar was begonnen. „Ik vraag me nu al tien jaar af hoe mijn werk kan bestaan in een kunstcontext. Is het waar dat de beelden die ik maak alleen maar goed zijn in dienst van een ander? En zo nee, wat is mijn kunst dan?”

De kunstgemeenschap kent het zwaarste toelatingsexamen dat hij zich voor kan stellen. „Kunstenaars, critici, galeriehouders – ze nodigen me uit op openingen en bij diners omdat ze fan zijn, omdat ik de hoezen maakte waarmee ze opgroeiden. Maar ze willen niet dat ik zélf kunst maak. Iedereen raadt het me af. En ik snap het wel; als ik hoor van een kunstenaar die een album opgenomen heeft, dan bereid ik me ook voor op het ergste.”

Maar Saville rust niet tot hij zijn ‘verkeerde’ beroepskeuze gecorrigeerd heeft. Hij maakt zijn werk nu samen met zijn vriendin, de Duitse kunstenaar Anna Blessmann. „Zij is mijn paspoort in de kunstwereld. Zonder haar zou ik nergens zijn.” Drie jaar geleden toonden ze hun werk voor het eerst, in Reims, Frankrijk. En vorig jaar als onderdeel van een kunstmanifestatie op het Italiaanse eiland Stromboli deelden Peter en Anna onder de bezoekers gekleurde parasols uit om zo het straatbeeld te beïnvloeden. Hun werk laveert tussen performance art, maatschappijkritiek en kunst aan de muur.

Later dit voorjaar staat een tentoonstelling van Blessmann en Saville gepland in de prestigieuze Cabinet Gallery in Londen. Saville denkt dat het goed gaat worden, maar weet ook dat hij weer kritisch bekeken zal worden. „We zullen zien, hè?” zegt de wereldberoemde ontwerper laconiek.

    • Gert Jonkers