Pak van mijn hart

Maarten Schinkel analyseert zijn begeerte naar een maatpak. ‘Het is een prothese. Het suggereert een perfect en krachtig lichaam.’

foto’s Lars van den Brink

Maar waaróm zou je Don Draper willen zijn?”, zegt mijn beste vriend. „Dat iedereen zijn hoofd omdraait als je binnenkomt?”

Nee. Zou fijn zijn, maar dat is het niet.

Alpha male bij een groot reclamebureau in New York?”

Ook niet, al klinkt het aantrekkelijk.

„Vrouwen verslinden?”

Bewaar me. Enkele reis ongeluk.

„Nou dan?”

Die pakken, zeg ik. En die bureaula. En ik zwijg alsof daarmee alles is gezegd.

Don Draper, de hoofdpersoon uit de serie Mad Men heeft een la in zijn bureau en daarin ligt, perfect gesteven, een stapel verse overhemden. Elk ingepakt met een mooie strik. Don zit al prima in de pakken, en als hij na een nachtelijk avontuur brak terugkomt bij reclamebureau Sterling Cooper hoeft hij alleen de la maar open te trekken en hij is weer als nieuw. Dankzij de overhemden, waarvan de kraag onberispelijk uitsteekt boven de heerlijke pakken die hij draagt.

Het zal niet erg origineel zijn om als hem als rolmodel te hebben, maar het is nu eenmaal zo. Er zijn weinig mannen die hun pak zo mooi dragen als Jon Hamm, de acteur die Draper speelt. En het mooie is: je hoeft er geen Jon Hamm voor te zijn. Want dat is de magie van een goed pak.

Ik ben opgegroeid in een pakloos tijdperk. Geboren in 1960 toen Draper over de aardbol zwierf, maar met een puberteit in de jaren zeventig, toen het pak net zo zeldzaam werd als een korenwolf op een bouwterrein. Vooropgesteld dat de wilde kleuren, wijde pijpen en brede revers van de hippie- en glamtijd niet optellen tot een pak in de enge zin van het woord. Een studie volgde, in het begin van de jaren tachtig aan een faculteit waar het lidmaatschap van een studentencorps gelijk stond aan bij voorbaat fout in de Derde Wereldoorlog – en het dragen van een pak sociale zelfmoord betekende. Pas de eerste schreden in de journalistiek voerden, als jong broekie bij het maandblad Quote, in de richting van het pak. Een latere hoofdredacteur van het blad zou zichzelf er nog het icoon van maken.

Het is een oude wijsheid dat je de stand van de economische conjunctuur kunt aflezen aan de lengte van de damesrok: hoe beter het gaat, hoe korter hij wordt, om weer aan lengte te winnen als de recessie intreedt. Maar misschien is het mannenpak wel een veel betere maatstaf. De armoe gaat altijd onberispelijk gekleed, zo heet het. Het kan geen toeval zijn dat het pak uit het straatbeeld verdween toen de welvaart in de jaren zestig en zeventig ongekende hoogten bereikte. Hoe krapper de arbeidsmarkt, hoe minder het ertoe doet hoe je eruitziet. Dat het pak in de tweede helft van de jaren tachtig zijn rentree maakte, is geen toeval. Hoe hoger de werkloosheid en hoe kleiner de kansen op aantrekkelijk werk, hoe meer het pak weer in de mode komt. Met enige vertraging, dat wel.

Dat het pak rond de internethausse plaatsmaakte voor wat ‘smart casual’ ging heten, verbaast niet. En nu kun je met een gerust hart stellen dat het pak, in de nasleep van de ergste recessie sinds de jaren dertig, aan een flinke comeback bezig is. We zien het op de bedrijfsvloer. Komt er een nieuwe functie vrij, dan zullen de geïnteresseerde mannen wat sneller een pak aantrekken. En de meest ambitieuzen dragen het sowieso al. Is er sprake van groeiende onzekerheid en dreigende ontslagen, dan is het dragen van een pak een talisman tegen naderend onheil. Eentje die onkwetsbaar maakt.

Want wat doet een pak met een man? Het suggereert. Dat is wat het doet. Daarbij kun je denken aan voor de hand liggende eigenschappen als macht, kracht, kunde en autoriteit. Maar dat zijn slechts afgeleiden van de suggestie van iets veel primitievers: een perfect en sterk lichaam. Een goed pak geeft een man rechte schouders, en de suggestie van een goed, stevig frame. De borst bolt licht onder de revers, hetgeen de suggestie geeft van spieren. Dat geeft het pak de gelegenheid om, iets verder naar beneden, af te kleden en zo de suggestie te wekken dat van een buik weinig tot geen sprake is.

We zien het niet, dat mannenlichaam onder het pak, maar we maken er al snel iets mooiers van dan wat het zal zijn. Achter een zonnebril vermoeden we ook vaak mooiere ogen dan in werkelijkheid het geval is. En zoals je jezelf vaak ook stoerder of aantrekkelijker vindt met zonnebril, zo geldt dat bij mannen ook voor een pak. Een man die een goed pak aantrekt, hééft ook vaak een betere houding. Hij gaat staan naar het ideaalbeeld dat het pak van hem geeft. Heb je je ooit afgevraagd waarom het pak, los van kleine modieuze wijzigingen, in wezen al meer dan een eeuw onveranderd is gebleven? Het is te goed. Zoals de eerste Porsche ook meteen raak was.

Buikje? Afhangende schouders? Beginnende borstjes of een ingevallen ribbenkast? Lijf als een mud aardappelen? Het pak vlijt zich er omheen, het paait, flatteert en het hardt. Als een harnas of een Romeins borstschild. Het is, kortom, een van de meest succesvolle protheses die ooit voor de man gemaakt zijn. Die mag zich er misschien om beklagen dat de moderne bh geen enkel betrouwbaar signaal meer geeft over wat daaronder zit, maar hij kan er zelf dus ook wat van. En al heel lang.

Maar dan moet je natuurlijk wél een goed pak. En dan kan je zomaar terechtkomen bij de maatpakkenafdeling van het modehuis Lanvin aan de Rue du Faubourg Saint-Honoré in Parijs. Voor een confectiepakkendrager is zo’n bezoek even inspirerend als moedeloos makend.

Eerste vraag: wat trek ik aan? Elk pak waarin ik zou komen aanzetten is hier natuurlijk onvoldoende. In de kast thuis hangen vier Corneliani’s, het merk dat ik sinds jaar en dag draag. Een donkergrijze, een grijze pinstripe, een blauwgrijze pinstripe en een donkerblauwe. Is er een versleten, dan wordt dat vervangen door precies hetzelfde.

Prima pakken, daar niet van. Maar kun bij de Rolls Royce-garage komen voorrijden in een Fiat Panda? Even was er de aanvechting om van de weeromstuit in spijkerbroek en T-shirt te gaan. Maar daar zie ik toch maar vanaf. Mijn donkerblauwe Corneliani wordt met een wellevende beleefdheid geaccepteerd. Al zal hoofdkleermaker Vito D’Onghia later tonen wat de eenvoudigste test is om een maatpak te onderscheiden van het pak van een gewone sterveling: doe één arm omhoog. Bij een confectiepak trekken de revers scheef. Bij een maatpak blijft alles netjes op zijn plaats zitten.

Wie een maatpak aanschaft, brengt een bezoek aan de mannenhemel. De juiste stof uitzoeken, het model kiezen, tientallen metingen aan het hele lichaam, en de machinerie komt op gang.

Op dezelfde verdieping werkt een hele afdeling aan de vervaardiging van Het Pak, naar keuze gecombineerd met Het Overhemd.

Hier wordt het wezen van het maatpak zichtbaar: elke fysieke onvolkomenheid en asymmetrie wordt ontdekt en benoemd, en kundig weggewerkt – zelfs als de asymmetrie in kwestie de klant misschien nooit was opgevallen.

Diamantstof

Het resultaat is adembenemend, en adembenemend duur. Vanaf zo’n 6.000 euro is alles mogelijk, en je kunt tot een ton of vier gaan. In dat laatste geval is er sprake van met fijn diamantgruis bedekte stoffen, met gouddraad ingeweven pinstripes of andere waanzinnigheden. Maar het kan, het kan allemaal. En die overhemden op maat mogen dan vanaf 600 euro gaan, ze worden bezorgd in een prachtige doos – mét strik. Don Draper is nog onder ons. Er zijn genoeg klanten die het stomen en strijken alleen maar aan Lanvin toevertrouwen.

Even, heel even, is er de verleiding om een pak aan te schaffen – wat is nou een paar maandsalarissen? Maar de echtgenote die met mij mee reist, toch met een rijke loopbaan in de modewereld, weet daar met een beroep op de aanstaande vakantie en de afgelopen verbouwing een stokje voor te steken.

Terwijl buiten voor het eerst in het leven hardop wordt nagedacht over de inkomensvoordelen van een hoofdredacteurschap, dringt zich de vraag op: hoeveel geef je dán uit aan een pak? In de hiërarchie onder het maatpak (bespoke in het Engels, sur mesure in het Frans) komt als eerste het made to measure-pak: maatwerk, maar niet volledig met de hand gemaakt en vaak van standaardmodellen. Daarna komt het betere confectiepak (de vier Corneliani’s) en daaronder steeds slechtere confectiepakken. Advies over die laatste: don’t go there. Slechte stof, slechte vorm. Het pak kan als prothese alleen succesvol zijn als het die taak ook kan uitvoeren. Een slecht pak van beroerd vallende stof, heeft niet de suggestieve kracht waar het om gaat. Integendeel. De schouders hangen af, de mouwen zijn er raar ingenaaid, de borst valt in waardoor de buik juist naar voren komt. Een slecht pak maakt van een lichaam dat best oké is een zak aardappelen.

Het is onder mannen een hardnekkig misverstand dat vrouwen zich kleden met het oog op mannelijke belangstelling. Niet waar: vrouwen kleden zich allereerst voor zichzelf, en dan voor ándere vrouwen. Waar het werk en imago betreft, kleden mannen zich eveneens voor de andere leden van hun eigen geslacht. Wil je je als man handhaven, wil je vooruit, of voor vol worden aangezien door de anderen, dan begeef je je in de wereld van het pak. En de mannen die er in die wereld toe willen doen, weten wat een goed pak is. Het bereiken van het doel: het suggereren van kracht en gezondheid, lukt niet met een ondermaats exemplaar. Doe het dus goed genoeg, of doe het niet. De anderen zien het in een oogwenk.

Klein voorbeeld: Lanvin snijdt de stof aan de onderkant van de mouwen, dus parallel aan de knoopjes daar, in tot een kleine split. En die split is expres wat gekromd, om aan te tonen dat het handwerk is, en geen recht machinewerk. Onzichtbaar voor wie het niet weet, veelzeggend voor kenners.

Een maatpak hoeft het niet te zijn, maar de wet is onverbiddelijk: goed pak = succes. Beter pak = meer succes. Totdat de top van de apenrots wordt bereikt. Op het World Economic Forum in Davos waar afgelopen januari de groten der aarde samenkwamen, bleek dat op het hoogste niveau de correlatie wegvalt. Er waren prachtige pakken te zien, maar ook sleetse of slechtzittende. En er zijn topdogs die het weinig kan schelen hoe ze eruitzien, of die attitude zorgvuldig cultiveren. Uit de nieuwe, nerdy economie van het internet. Of de Richard Bransons van deze wereld, slordig omdat het kán. Allemaal rijk, binnen, arrivé. En dat leidt tot de laatste conclusie: het pak is niet gemaakt voor Don Draper. Juist niet. Het is er voor al die andere, gewone mannen. Inclusief deze.

    • Lars van den Brink