Oude regels dwingen tot onnodig dierenleed

Bij het testen van chemicaliën en medicijnen worden dierproeven gedaan die zinloos zijn. Dat is soms al meer dan tien jaar bekend, maar ze zijn nog altijd verplicht.

Witte laboratoriumrat. De rat is voor veiligheidstests het meest gebruikte proefdier. Foto Understanding animal research

Er zijn dierproeven die gedaan worden voor wetenschappelijk onderzoek. En er zijn dierproeven die gedaan worden om te bepalen of een stof veilig is.

Over dat soort ‘veiligheidsdierproeven’ gaat dit stuk. Toxicologen en proefdierspecialisten in Nederland zien dat in hun vakgebied – van voeding tot chemicaliën en medicijnen – dierproeven gedaan worden die nutteloos zijn. De proeven detecteren te veel risico’s of juist te weinig, geven grillige resultaten, zeggen weinig over de mens, of zijn verouderd. Maar toch worden ze gedaan. Want ze zijn verplicht, voordat potentieel gevaarlijke stoffen op de markt mogen komen. Bijna altijd vanwege internationale regels.

Het gaat niet om enkele uitzonderingen. In juli 2009 schreef de Duitse toxicoloog Thomas Hartung er in Nature al een snijdende review over. Tachtig jaar geleden, beschrijft Hartung, kwam het besef op dat je mensen niet zomaar kon blootstellen aan chemische stoffen. Halverwege de twintigste eeuw werden daarom allerlei proeven ontwikkeld, vooral dierproeven. En toen viel het systeem „in slaap”, aldus de toxicoloog. „Er is bijna geen ander wetenschappelijk vakgebied waarin de belangrijkste experimenten in meer dan veertig jaar nauwelijks veranderd zijn.”

En toch zijn het belangrijke experimenten. Ze bepalen of een patiënt een medicijn kan slikken zonder kanker te krijgen. Of een boer bestrijdingsmiddel kan spuiten zonder dat er vissen doodgaan. Of de schilder kan schilderen zonder dat hij allergieën krijgt van de verf.

In Nederland werden in 2012 voor verplichte toxicologische tests 65.466 dieren gebruikt, vooral ratten. Dat is 11 procent van alle dierproeven. Maar dit werk is internationaal. Dierproeven voor de Japanse markt kunnen in Nederland gedaan zijn, proeven met Europese medicijnen in de VS of India. Er zijn jaarlijks miljoenen dieren bij betrokken, over de hele wereld.

En dat is meteen de oorzaak van het conservatisme, volgens Hartung: de markttoelating van chemicaliën en medicijnen gaat volgens internationale richtlijnen. „Het langzame, gecompliceerde consensusproces verhinderde zelfkritiek en modernisering.” Vorige week presenteerde staatssecretaris Dijksma (Economische Zaken, PvdA) een plan van aanpak voor vermindering van dierproeven. Een van de voorstellen: dit jaar op een rij zetten welke regels ‘belemmeren’ dat alternatieven voor dierproeven ingevoerd worden.

Hoe dierproeven voor toelating van chemicaliën gedaan moeten worden, bepaalt de OESO. Voor medicijnen is er de Internationale Conferentie voor Harmonisatie (ICH), met autoriteiten uit Europa, de VS en Japan. In het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (december 2012) noemde hoogleraar medische innovatie Huub Schellekens de procedure voor geneesmiddelentoelating „een vastgeroest systeem met een geringe instroom van mensen met nieuwe inzichten”.

Toxicoloog Jan Willem van der Laan van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen kent die wereld als geen ander. Al in de jaren negentig had hij kritiek. Het ging om bepaalde muizenproeven, die verplicht zijn voor de markttoelating van geneesmiddelen. Bij een deel van de medicijnen is het verplicht om ze twee jaar lang toe te dienen aan 800 muizen en 800 ratten, om te zien of ze er kanker van krijgen.

Na een inventarisatie van 221 medicijnbeoordelingen kwam Van der Laan tot een pijnlijke conclusie (Regulatory Toxicology and Pharmacology, 1997). Als alleen muizen kanker kregen van een medicijn, werd het geneesmiddel gewoon toegelaten in Europa. „Muizen ontwikkelen bepaalde tumoren heel snel, door genen die bij mensen niet van belang zijn. En de dosering is bij muizen vaak ook heel hoog.” Na overweging lieten de beoordelaars die resultaten daarom altijd links liggen.

Zeventien jaar later zijn de langdurige muizenproeven nog altijd verplicht. De ICH werd het destijds niet eens over afschaffing. Hoe zeker wil je zijn dat een muizenstudie nóóit iets zal opsporen? „Er is ruimte voor interpretatie.”

Inmiddels is er, mede op initiatief van het CBG, wel iets aan het veranderen. De komende vijf jaar evalueert de ICH of een studie van zes maanden bij ratten de resultaten na twee jaar voorspelt. Zo ja, dan kunnen die dierproeven dus eerder ophouden. Mogelijk wordt de muizenproef tegelijk aangepakt.

En zal het de Nederlandse staatssecretaris lukken om werkelijk iets te veranderen op dit gebied? In haar plan maakte ze afgelopen vrijdag alvast een kanttekening. We kunnen hier wel ‘belemmerende regelgeving’ opsporen. Maar iets veranderen, dat kan Nederland bijna nooit alleen, late de drie volgende voorbeelden zien.

Wat: Pijnlijke huidtests met irriterende stoffen

Uitgevoerd want: Japan weigert resultaten van diervriendelijker tests

Hoeveel: circa twintig cavia’s per jaar bij een Nederlands testbedrijf

Om te bepalen of een chemische stof allergische reacties geeft op de huid, was tot twaalf jaar geleden een caviatest in zwang. Bij die klassieke test krijgen cavia’s irriterende stoffen op hun huid. Enkele weken later wordt dat herhaald, om te zien of een allergische reactie optreedt. De ernst van die tweede reactie (zwelling, roodheid) wordt gemeten.

In 2002 voerde de EU een nieuwe test in die door proefdierdeskundigen als een grote vooruitgang werd gezien. De ‘Local Lymph Node Assay’ maakte de huidtests bij cavia’s grotendeels overbodig. De nieuwe test meet de overgevoeligheidsreactie in de lymfeknopen van muizen. De dieren worden al gedood voordat ze een zichtbare ontsteking ontwikkelen.

In de nieuwe test lijden dieren minder pijn. Ook duurt hij korter en zijn er minder dieren nodig. Een fabrikant die een chemische stof op de markt wil brengen in Europa of de VS, kan voortaan die test doen (behalve voor enkele soorten stoffen waarbij de lymfeknooptest niet goed werkt).

Maar de Japanse autoriteiten hebben de lymfeknooptest nog altijd niet geaccepteerd. En dus krijgt het Nederlandse testbedrijf WIL Research van klanten die op de Japanse markt opereren, en enkele keer per jaar de opdracht om de caviatest te doen – met in totaal twintig cavia’s.

Zinloos, vinden proefdierkundige Carla Bol en toxicoloog Mira Wenker van WIL Research. „We hebben een gevalideerd alternatief.” De dierexperimentencommissie (DEC) van het bedrijf, die voor de helft uit externe leden bestaat, moet over zulke proeven steeds een oordeel geven. Bol, die adviseur is van de DEC: „We zeggen als DEC: we hebben er kanttekeningen bij, maar we geven toch een positief advies. We hebben dit probleem al jaren in ons jaarverslag gezet. We hopen dat we zo het ministerie bereiken.”

Wat: Bloedtests bij muizen om de kwaliteit van epo te testen

Uitgevoerd want: bestaande diervrije test wordt niet ingevoerd

Hoeveel: tientallen muizen per test; totale aantal is alleen bekend bij farmabedrijven

„Dierproeven voor de productie van epo worden nog steeds gedaan. Niet omdat ze zo goed zijn, maar omdat het systeem conservatief is.” Dat zegt Marlous Kooijman, die gespecialiseerd is in geneesmiddeleninnovatie. In december promoveerde ze in Utrecht.

Epo (erythropoëtine) werd vooral bekend uit de wielrennerij, maar is een medicijn tegen bloedarmoede. Het is een menselijk hormoon dat de aanmaak van rode bloedcellen stimuleert. Epo wordt in celkweken geproduceerd. De werkzaamheid verschilt naar gelang de kwaliteit van de cellen, en moet dus bij elke productieronde worden gecontroleerd.

Dat gebeurt al sinds de introductie van epo in de jaren negentig met muizenproeven. Bij de tests krijgen muizen epo ingespoten, en wordt de toename van hun rode bloedcellen gemeten. Die test werd in 1999 vastgelegd in de EU-regels voor medicijnproductie. Zonder grondige evaluatie, aldus Kooijman. Die muizentests zijn onnauwkeurig. Een ampul met naar opschrift 2.000 werkzame eenheden epo kan door die testvariatie in werkelijkheid 1.600 tot 2.500 eenheden bevatten, mat een Duitse fysioloog eens.

Sinds 1999 bestaat er ook een in vitro-test, zonder dieren dus, legt Kooijman in haar proefschrift uit. Maar die is nooit ingevoerd. Het Europese directoraat voor geneesmiddelenkwaliteit deed de afgelopen jaren wel pogingen om de labtest ingevoerd te krijgen, maar die liepen stuk.

Uit negen interviews leidt Kooijman af waarom: de autoriteiten hielden vast aan de dierproef als gouden standaard. „Men moest bewijzen dat de labtest de dier proef kon vervangen.” En dat bewijs was ‘technisch onmogelijk’ te leveren, aldus de geïnterviewden. Hoe vergelijk je de resultaten van een labtest met die van een dierproef die op een heel andere manier werkt, én variabele resultaten geeft?

Wat: Ratten die drie maanden heel veel genvoedsel eten

Uitgevoerd want: EU voerde test in onder druk van publieke opinie

Hoeveel: ongeveer 1.500 dieren per jaar, vooral uitgevoerd in de VS

Wil een fabrikant een genetisch gemodificeerd gewas in Europa op de markt brengen, dan moet hij het sinds december 2013 aan ratten voeren, drie maanden lang. „Ik zie daarvoor geen wetenschappelijke basis”, zegt Harry Kuiper. Hij was tot 2012 voorzitter van het wetenschappelijke comité dat in de Europese Unie de toelating van genetisch gemodificeerde gewassen beoordeelde.

Kuiper schreef er vorig jaar met een Wageningse en Britse collega een afkeurend commentaar over in het Plant Biotechnology Journal.

De meeste gengewassen die in Europa op de markt zijn (geteeld wordt er nauwelijks), zijn voor veevoer. Soms gaan ze in spijsolie. De belangrijkste zijn maïs, soja, raapzaad en katoenzaad. Voor de toelating zijn allerlei tests verplicht. Genetische analyses van de plant, een karakterisering en risicobeoordeling van het via gentechnologie ingebrachte eiwit, veldproeven om te zien of de planten normaal zijn.

„Dat zijn veel betere methoden om te onderzoeken of een gengewas veilig is”, zegt Kuiper. „Whole-food dieettests zijn heel ongevoelig.” Toch voerde de EU ze in, na een Frans onderzoek – geruchtmakend, maar uit wetenschappelijke hoek zwaar bekritiseerd – waarin ratten tumoren ontwikkelden als ze langdurig genmaïs aten.

Zinloos, vindt Kuiper. Je kunt een gengewas maar in beperkte doses aan ratten toedienen. Bij maïs is 30 - 35 procent van het voedsel het maximum – anders is het eten te eenzijdig. Alleen als het nieuwe eiwit erg giftig is én door de plant in grote grote hoeveelheden wordt gemaakt, kan het effect in de rat te zien zijn.

    • Hester van Santen