Oud oranje

foto Annaleen Louwes

Onlangs heb ik me voor het eerst van mijn leven een pak laten aanmeten. Er waren een paar Engelse jongens overgekomen vanuit de beroemde kledingstraat Savile Row in Londen. Ze stonden in een Rotterdamse winkel klaar met hun meetlint.

Op de counter lagen stalen met stoffen. Mijn vingers gleden over honderden voorbeelden. Ik kon kiezen wat ik wilde, van een vrolijke ruit tot een klassieke krijtstreep. Het werd een zomerse stof. De kleur: oud oranje.

De Engelse jongens hadden al veel traditionele kostuums verkocht aan hun Nederlandse klanten. Dit werd een afwijkend en hip pak, verzekerden ze me.

Het opmeten kon beginnen. Met snelle bewegingen ging de slappe centimeter over mijn schouders, rug, middel, billen, armen en benen. De uitkomsten werden op een formulier geschreven.

De vorm van de pantalon was slim fit, hoog in de taille en voorzien van vernuftige aanspanners in plaats van een riem. Er bleven nog een paar variabelen over. Een van de belangrijkste vragen: hoe lang wilde ik de pijpen van mijn pantalon?

Wat is lang, wat is kort?

Pakkenfanaat Jort Kelder heeft bewust te korte pijpen. Een gemiddelde politicus is traditioneler, hij struikelt bijna over zijn te lange pijp. Met een beetje pech loopt hij de zoom eruit.

Ik houd van redelijk kort. Maar ook weer geen hoog water in het dorp. Het liefst zag ik een lengte waardoor er een klein knikje in de vouw ontstond. De Engelsen begrepen het. Ze noteerden de uitkomsten tot op de millimeter nauwkeurig.

Een paar maanden later was het pak klaar. Na een paar kleine aanpassingen zat het perfect. De broek werd van achteren nog ietsje ingenomen, maar de pijpen hadden de juiste lengte. Ik zag het knikje, net boven mijn schoen. Met dit nieuwe pak, met deze snit en vooral met deze kleur ging ik alle moderne pakkendragers ver achter me laten.

Jaloers omkijkend zouden ze met hun droeve modelletjes tegen een lantaarnpaal aankleunen.

Mijn pak verdween in een draagzak. Thuis trok ik mijn pronkjuweel opnieuw aan. Achteloos gleden mijn handen in de broekzakken. Ik voelde iets raars zitten: stof. Ik trok het tevoorschijn en begreep toen pas wat het was. De kleermaker had het afgeknipte deel van mijn pijpen in de zak van mijn nieuwe broek gestopt.

Een keurig, zuinig gebaar.

De twee lapjes lagen in mijn handpalm. Nu pas keek ik in alle rust naar welke stof, en vooral, welke kleur ik had aangeschaft. Het deed me denken aan een eindeloze zomer. Het was de kleur van een tent die in de zomer lang in de Franse zon had gestaan. Verschoten.

Oud oranje sloeg de maat. De associaties buitelden over elkaar. Ik dacht aan de uitgebleekte schillen van een mandarijn, die langs de kant van mijn trapveldje lagen. Ik dacht aan opeetpapier van een chagrijnige drogist. Ongeverfde sinaasappels. De wimpels van vlaggen in inmiddels afgebroken straten van mijn Rotterdamse geboortewijk uit de jaren vijftig, een wijk met de bijzondere naam 110-Morgen.

Ik wist dat geur en smaak herinneringen kunnen oproepen. Maar dat het staren naar een stukje broekspijp een voorbije sfeer opriep, dat had ik nog niet eerder meegemaakt.

Nu de restlapjes van mijn broekspijpen deze functie vervulden, kon ik ze niet meer weggooien. Ze verdwenen weer in mijn kostuum.

Mijn pak is een zomerpak. Het hangt in de kast, in de beschermzak. De stukjes broekspijp zitten in mijn broekzak. Als het zomer is, trek ik mijn nieuwe kostuum aan voor een wandeling door de stad.

Zonder dat iemand het ziet, ga ik met mijn vingers over de lapjes. Oud oranje.

Vreemd, ik denk een uiterst modern en trendy pak aangeschaft te hebben en wat brengt het me: het verleden.

Wilfried de Jong