Naar de Krim

Iedere avond oorlog op de televisie. Het is ruim dertien jaar geleden begonnen in Afghanistan, toen door de Amerikanen het Tora Bora-gebergte werd gebombardeerd, omdat president George W. Bush dacht dat Osama bin Laden zich daar verborgen had. Toen kwam de aanval op Irak, eerst de shock and awe, het bombardement op Bagdad om Saddam Hussein te imponeren, gevolgd door nog veel meer geweld. Sinds een paar jaar zien we om acht uur hoe Syrië zichzelf vernietigt. En nu hebben we weer een soort beginnende oorlog in Europa, eerst in Kiev en nu ook op de Krim, waar mensen die elkaar niet kennen elkaar met absurde energie naar het leven staan. Af en toe denk ik aan de schepping van Jaroslav Hasek, de brave soldaat Svejk. Als hij onder vuur komt, roept hij: ‘Niet schieten! Je zou weleens iemand kunnen raken!’

Op de Krim ben ik een keer geweest, in 1984, toen het bijna veertig jaar geleden was dat de Grote Drie – Roosevelt, Stalin en Churchill – in Jalta het Europa van na de oorlog verdeelden. Van Amsterdam ging ik met de trein naar Parijs. Daar nam ik in het Gare de l’Est de Oriënt-Express die me via Wenen en Boedapest naar Boekarest bracht. Overstappen op de trein naar Kiev, daar de volgende trein naar Odessa. Met een vliegtuigje naar Simferopol op de Krim, en ten slotte met een taxi naar het Livadia-paleis waar de Grote Drie hun beslissende conferentie hebben gehouden.

Om daar binnen te komen, moest je eerst een kaartje kopen en dan staatspantoffels aantrekken, want deze heilige grond mocht niet met gewone schoenzolen worden aangeraakt. Het zaaltje was pijnlijk goed onderhouden. Ik vind dat je daartoe verplicht bent als je historische grond beheert. Daar zag ik de stoelen waarop de Grote Drie hadden gezeten, daar stond de tafel waarop de kaarten van Europa hadden gelegen, de lijnen van de verdeling waren getrokken. Kom even terug, heren, denk je. Ik heb jullie nog iets te vragen. Maar zo zit de geschiedenis niet in elkaar. Op de Krim staat ook het huis van Tsjechov. Omdat ik in de buurt was, ben ik daar ook even langsgegaan en daarmee was het historische deel van de reis afgelopen. Terug naar Amsterdam, over een ander deel van de Krim en weer in de trein, nu via Moskou.

Daar ontmoette ik een oude vriend en ik ben op bezoek gegaan bij een collega van de Pravda die me in alle toonaarden verzekerde dat de Sovjet-Unie nooit verloren zou gaan. En ik ben naar Lenin gaan kijken. Er stond een lange rij voor het zwaarbewaakte mausoleum en voor ik naar binnen mocht, moest ik mijn jasje dichtknopen. Hij lag er onberispelijk bij. Weer werd ik overvallen door die historische schok.

Het werd tijd voor de terugreis, weer met de trein, deze keer langs de noordkant, over Warschau en Berlijn. De trein stopt dan in Smolensk en Minsk en rijdt tussen die twee steden door een onmetelijke vlakte. Ook die hadden de troepen van Hitler moeten veroveren. Er zou een wereldwet moeten komen die iedere leider, staatsman, politicus ertoe verplicht, eerst een reis met de trein te maken door de gebieden die hij wil veroveren, of met de tram of desnoods op de fiets de steden te leren kennen die hij zal verwoesten. Zou het geholpen hebben: Hitler eerst met de tram door Rotterdam?

Toen beleefden we de laatste jaren van de Koude Oorlog. Hebben we dat beseft? In deze tijd zijn we op onze hoede voor al te begerige geheime diensten, de NSA, en onze eigen AIVD, en verder hackers, computerkrakers, mensen die via internet je bankrekening leeg willen roven, seksmaniakken die via de webcam in je laptop naaktfoto’s van je willen maken. In de Koude Oorlog had je de KGB, de CIA, de BVD, de Stasi. Nog het een en ander. Internet bestond nog niet. Wat een rust!

Ieder tijdvak kweekt zijn eigen mensentype. In de Koude Oorlog hebben de twee machtsblokken elkaar veertig jaar naar het leven gestaan. Het is geweldloos gebleven, maar toch. Behandelden de burgers van de twee blokken elkaar toen als verbitterde vijanden zoals nu Oekraïners en Russen op de Krim? Op de terugreis moest ik in Brest-Litowsk overstappen. Een kaal perron en het stortregende. Mijn trein was er nog niet. Verderop stonden drie wat oudere mannen. Een wenkte me. „Du Glatze, komm mal her.” Ik naderde. Hij sloeg me zachtjes op mijn kale hoofd en zei: „Mütze auf! Sonst kalt.” Geen Koude Oorlog.