‘Met zeven kinderen loop je tegen praktische grenzen aan’

Martijn Rozemuller (42) en Mariëlle Beckers (38) hebben zeven kinderen. Ze wonen in Amsterdam en werken beiden vijf dagen – hij in de financiële sector, zij als orthopedagoge. „We hebben gekeken naar wat we aankunnen.”

Mariëlle: „We hebben eigenlijk geen vaste rituelen.”

‘Bezoekje aan de uroloog’

Martijn: „Ze zijn allemaal van ons samen. We krijgen ’m vaker hoor, die vraag. Maar het is geen gecombineerd gezin. We leerden elkaar twintig jaar geleden kennen. Toen Jessie werd geboren was ik net 25, Mariëlle was 21.”

Mariëlle: „Ik was in die tijd model, maar werkte ook als danseres in een discotheek. Martijn stond daar achter de bar. Op een gegeven moment schoof hij een barretje op, richting podium. Toen sloeg de vonk over.”

Martijn: „Jessie was een verrassing. Ik had niet eens een vaste baan. Ik werkte als optiehandelaar op de beurs in Amsterdam op een jaarcontract.”

Mariëlle: „Wij hebben nooit rationeel gekeken: worden het er drie of vier? We hebben meer gekeken naar wat we aankunnen. Ik ben vrij impulsief, doe heel veel op gevoel. En dat gevoel dat ik nog een kindje wilde was er gewoon.”

Martijn: „We hebben eigenlijk nooit gedacht: nu is het wel mooi. Of nou ja, na de zevende natuurlijk wel.”

Mariëlle: „Daarvoor hebben we het nooit over aantallen gehad.”

Martijn: „Soms ben ik ook wel blij dat we daar niet heel erg lang over hebben kúnnen nadenken, want als ik naar vrienden kijk – die lezen hele boeken over wat er mis kan gaan.”

Mariëlle: „Vijf en zes zijn een tweeling en die bevalling was wel vrij zwaar. Een van de eerste dingen die ik dacht toen ik bijkwam: ‘Dit gaan we niet nog een keer doen.’ Martijn zou zich laten helpen, maar...”

Martijn: „Nummer zeven was dus ook een verrassing. Toen heb ik maar een bezoekje aan de uroloog gebracht.”

‘Voor vakantie op tijd boeken’

Mariëlle: „We hebben ook acht jaar aan pleegzorg gedaan. Dan hadden we twee keer per jaar een ander kind in huis en dat ging eigenlijk best goed. Op een gegeven moment dachten we, vier is eigenlijk al heel gewoon, waarom niet nog een kindje?”

Martijn: „Met zeven kinderen loop je wel tegen praktische grenzen aan.”

Mariëlle: „Je kunt ze niet blijven stapelen.”

Martijn: „De jongste drie meiden delen een slaapkamer en de middelste twee jongens delen een stapelbed. Voor vakantie moet je op tijd boeken, maar verder valt het mee. Vrijdag gaan we met zijn allen naar Oslo, behalve Jessie, die zit vlak voor haar schoolonderzoeken. Dat is jammer want in de meivakantie gaan we naar Marokko en dat mist ze ook. We vliegen en dan hebben we een huurauto met voldoende stoelen nodig – dat is nog wel eens een uitdaging.”

Martijn: „In de zomer vliegt Mariëlle met de meiden, ik rijd er met de jongens achteraan. Meestal gaan we kamperen in Toscane. Ik probeer met de jongens iets leuks mee te pikken onderweg, zoals een automuseum.”

‘Dingen van elkaar overpakken’

Mariëlle: „Mijn studie deed ik tussendoor. Dan zat ik bij de zwemles en nam ik mijn studieboeken mee. Als ik tentamenweek had, ging jij vaak met de kinderen naar Friesland. Wat wij heel erg doen en wat ook onze kracht is, denk ik, is dat wij elke keer dingen van elkaar overpakken.”

Martijn: „Ik ben in 2003 met sabbatical gegaan, maar pas in 2008 weer begonnen met werken.”

Mariëlle: „Hij deed bijna alles thuis.”

Martijn: „Ik had voldoende verdiend als beurshandelaar om dat te kunnen doen. Dat Mariëlle op dat moment weer wilde gaan studeren, kwam alleen maar goed uit.”

Mariëlle: „Ik zeg wel eens grappend: ‘We hebben het geld geïnvesteerd in onze kinderen.’ En in de kinderen van anderen natuurlijk.”

Martijn: „Ik ben toen psychologie gaan studeren omdat ik slimme mensen vaak domme keuzes zag maken over geld. Daarnaast vond ik dat de bank vaak tekortschoot in de advisering en ik wilde weten hoe dat beter kon. In het derde jaar van mijn studie ben ik mijn eigen bedrijf begonnen.”

Mariëlle: „Toen heb ik een stapje teruggedaan in mijn werk. Zo hebben we het eigenlijk altijd gedaan.”

‘Eén keer per maand uit eten’

Mariëlle: „We doen bijna alles zelf.”

Martijn: „’s Ochtends breng ik Daantje en Linde weg op de fiets, met Ronja fiets ik door naar voorschool.”

Mariëlle: „Meestal haal ik Ronja op en zet haar thuis af. Oppas Suze past drie keer per week op, anders gaat ze naar de opvang. De rest heeft een continurooster. Met de jongsten eet ik soms een broodje in het park.”

Martijn: „Bijna iedere dag rijd ik wel een keer heen en weer, maar dan heb ik gelijk mijn lichaamsbeweging gehad. ’s Avonds werk ik thuis.”

Mariëlle: „Ik was vanochtend alweer aan het rennen in het Vondelpark. Ik werk met pubers, na schooltijden, dus ik kan ook later beginnen. Ik sport zeker drie keer per week. Dit jaar wil ik een marathon doen, dus dan train ik heel specifiek.”

Martijn: „Ik stap een keer per week op mijn racefiets. Uit eten gaan we een keer per maand, dan passen de ouderen op, of er komt oppas.”

Mariëlle: „Zaterdag gaan we samen naar de supermarkt, dat is voor ons ook een uitje. We zijn vrij flexibel. Als de ontbijttafel nog vol staat als ik de deur uitga voel ik me wel eens schuldig, maar denk ook: wie ziet dat? We hebben eigenlijk geen vaste rituelen. Misschien is dat wel het vaste ritueel.”

    • Rolinde Hoorntje