Laat sporters en supporters minder vliegen

Kan sporten duurzamer, vraagt Pieter Pauw zich af. Thuis laten we de koelkast toch ook niet open staan? Waarom houden we dan wel een 400 meter lange ijsklont koud bij 10 graden Celsius?

Koen Verweij (R) en Renz Rotteveel tijdens het NK Allround in het Olympisch Stadion. Foto ANP

Overheden, autofabrikanten, huiseigenaren, energieproducenten, de bouwsector - ze worden allemaal gevraagd of gedwongen minder broeikasgassen uit te stoten. Maar de sportsector lijkt de dans te ontspringen. Waarom eigenlijk? Sport is immers een miljardensector met een grote CO2 uitstoot. En dat terwijl er goede mogelijkheden zijn om de sector duurzamer te maken.

Kijk maar eens naar de grote evenementen. Het IOC koos Sotsji voor de Olympische Winterspelen. Sotsji, een van Ruslands zuidelijkste steden, kent een vochtig subtropisch klimaat. Weliswaar vond het skiën in de bergen plaats, waar de sneeuw met chemicaliën tegen smelten werd beschermd, maar de Nederlandse schaatsmedailles werden gewonnen op een ijsbaan op zeeniveau – met die baan wordt na de ‘winterspelen’ niets meer gedaan.

De beslissing van de FIFA om het wereldkampioenschap voetbal 2022 in Qatar te houden, is net zo vreemd. Deze woestijnstaat telt één stad en twee miljoen inwoners, maar bouwt nu negen extra stadions. Mét airconditioning, want ’s zomers wordt het hier al gauw 40 graden.

Ook de locaties van de Champions League finales roepen vragen op. Afgelopen jaar stonden Bayern München en Borussia Dortmund tegenover elkaar – in London. In 2008 speelden twee Engelse teams tegen elkaar – in Moskou. Hiervoor legt men gelukkig geen sportinfrastructuur aan die vervolgens functieloos in verval raakt. Wel vliegen tienduizenden supporters heen en weer. Een retourtje Londen-Moskou stoot al gauw een ton CO2 per persoon uit, grofweg de helft van wat een persoon jaarlijks mag uitstoten om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. Tijdens het Europees kampioenschap verbleef het Nederlands elftal meer dan duizend kilometer vliegen van hun speelstad Charkov vandaan.

Voor al deze voorbeelden geldt: het zoeken van andere, betere locaties kan veel geld en uitstoot van CO2 schelen.

De Nederlandse sportsector kan er overigens ook wat van. Zo vloog het Nederlands elftal in november van Amsterdam naar Maastricht, voor een oefenwedstrijd tegen Japan in Genk. Op zo’n korte afstand is vliegen zeker tien keer meer vervuilend dan een touringcar, en dat enkel om een paar minuten filerijden te voorkomen. Ik zou sowieso wel willen weten hoeveel ton CO2 zo’n oefenwedstrijd per doelpunt kost.

Dan is er natuurlijk nog die open schaatsbaan in het Amsterdamse Olympisch Stadion, waar vorig weekend het KPN NK Allround & Sprint werd verreden. Volgens NOS-commentator Martin Hersman een unieke locatie: hij heeft „niemand gehoord die eigenlijk tegen dit idee is geweest”. Hij heeft waarschijnlijk niet veel mensen gevraagd. Thuis is niemand zo gek om de koelkast of het vriesvak open te laten staan, maar in het Olympisch Stadion wordt bij een zonnige plus 10 graden Celsius een metersbrede en vierhonderd meter lange ijsklont in stand gehouden. Dat is goed te vergelijken met de manier waarop men in sommige Zwitserse en Oostenrijkse ski-oorden met klimaatverandering omgaat: valt er minder sneeuw, dan maak je gewoon sneeuw.

Net als de meeste mensen kan ik van sport genieten. Maar dat laat onverlet dat de sportsector meer kan betekenen voor verduurzaming dan ze nu doet. Veel meer. Sommige zetten een belangrijke eerste stap. Zo leggen eredivisie- en amateurclubs zonnepanelen op hun dak, of gaan ze over op energiezuinige verlichting.

Maar echte verduurzaming vereist ook een aanpassing van planning en organisatie, bijvoorbeeld door sportevenementen te organiseren op logische plaatsen, en daarmee ook de vliegbewegingen (vooral ook van supporters) te minimaliseren.