Ik heb geleerd me in te houden

Hij groeide op in Hoevelaken en was voorbestemd het aannemersbedrijf van zijn vader over te nemen. Nu zorgt Lanvin-ontwerper Lucas Ossendrijver (43) voor opwinding in de mannenmode. ‘Ik ben het gelukkigst als ik werk. Vakanties zijn heel moeilijk.’

tekst Milou van Rossum foto Barrie Hullegie

Hoe gaat een ontwerper die als creative director verbonden is aan een chic Parijs modehuis naar zijn werk? Bij de meesten komt een chauffeur voorrijden. Anderen nemen wellicht zelf de auto. Lucas Ossendrijver, de Nederlandse ontwerper die nu acht jaar de artistieke leiding heeft over de mannenmode van Lanvin, loopt. Voor Ossendrijver – lang en slank, met een open blik en beweeglijke armen die hij vaak inzet om zijn woorden kracht bij te zetten – zijn die wandelingen de voornaamste vorm van lichaamsbeweging. „Ik sport niet”, vertelt hij bij koffie en Perrier in de lobby van Le Meurice, een weelderig ingericht hotel uit het begin van de negentiende eeuw op een steenworp van zijn atelier. „En het is niet ver naar de Rue du Faubourg Saint-Honoré – een klein halfuurtje. Het is een prettige manier om me voor te bereiden op de dag.”

Hoe is het als u ’s morgens dat grote gebouw van Lanvin ziet? De chique mannenmodewinkel, daarboven de ateliers; het draait allemaal op dingen die u ontwerpt.

„Beangstigend, meestal. Het is niet alleen die winkel. Het zijn alle andere winkels die ik ook moet vullen, en dat de mensen de spullen dan vervolgens moeten willen kopen. Al dat geld dat in de mode omgaat, het is een gewicht dat je als ontwerper op je schouders draagt.”

Uw vernieuwende, elegante ontwerpen zijn er mede de oorzaak van dat er tegenwoordig zoveel opwinding is over mannenmode.

„Zoiets ligt niet aan één merk of één persoon. Het is ook iets maatschappelijks; er is steeds minder verschil tussen mannen en vrouwen. Vroeger hielden mannen zich niet bezig met mode, maar nu is er bijna net zoveel aandacht voor mannenmode als voor vrouwenmode. Ik kwam op het goede moment. Mannen zijn de nieuwe modeconsumenten.”

Mannen kopen wel anders, denk ik.

„Ja, ze schaffen iets aan omdat ze iets nodig hebben. Vrouwen willen de nieuwste tas hebben, de nieuwste jas. Dat is bij de mannenmode nog niet altijd zo.”

Bij mannen moet die behoefte...

„...nog wel wat meer gestimuleerd worden, ja.”

U worstelt daarmee?

„Ja natuurlijk. Tassen, dat vind ik bijvoorbeeld moeilijk. Ik heb zelf al heel lang dezelfde rugzak van Lanvin, waar ik heel tevreden mee ben. Maar er wordt van ons verwacht dat we elk seizoen met nieuwe modellen, nieuwe kleuren, nieuwe materialen komen. Dus doen we dat. Maar ik ontwerp de tassen niet omdat ik op dat gebied zoveel te vertellen heb.”

Hoeveel kleren en accessoires ontwerpt u per seizoen?

„O, dat weet ik niet precies. Heel veel. We hebben sinds drie seizoenen ook tussencollecties (collecties die vóór de voorjaars- en najaarscollecties in de winkel komen, MvR) en die zijn nu al goed voor 70 procent van onze omzet. In één zo’n collectie zitten al honderden producten, van poloshirts tot tassen en sneakers. De tussencollecties zijn de meest commerciële. Het mag niet te duur worden, maar het moet wel allemaal creatief zijn. Vroeger had ik zes maanden om een collectie te maken, maar de mannenmode wordt meer en meer zoals de vrouwenmode. Steeds meer collecties, steeds meer spullen. Ik vraag me soms af: wie heeft al die producten nodig? Wie wil elke maand nieuwe kleren? Ik ben zelf helemaal niet zo’n consument.”

Wat draagt u zelf?

„Ik heb een uniform voor mezelf gevonden: sneakers, een jasje, een trui en een jeans – dit is een oude van Levi’s die ik heb vermaakt. De rest is van Lanvin. Ik heb natuurlijk pakken en truien en schoenen van Lanvin, maar ik draag het zo dat het niet al te ontworpen overkomt.”

Dat lijkt haaks te staan op de wereld waarin u zit.

„Ik ben al de hele week bezig met mode, ik heb niet zo’n zin om er voor mezelf ook nog over na te denken. Ik vind het ook nooit zo aantrekkelijk als mannen eruitzien alsof ze lang over hun kleren hebben nagedacht.”

Dat zijn waarschijnlijk wel vaak de mannen die uw klanten zijn.

„Ik bewonder zulke mannen wel. Ik weet hoeveel moed ervoor nodig is om op te vallen. Er zijn nog steeds zoveel codes voor mannen, het is lastig om daar uit te breken. Mijn kick is het om kleren te maken die net een beetje anders zijn, maar wel geloofwaardig blijven. Maar in de loop van de jaren heb ik het theatrale aspect van mode leren waarderen. De vrijheid die mode je kan geven om te zijn wie je wilt zijn.

Wat kopen mannen bij Lanvin?

„Accessoires worden steeds belangrijker, maar we verkopen voornamelijk kleding.”

En dat is bijvoorbeeld een lavendelkleurig transparant overhemd.

„Onze bestseller is een jasje van tricot; iets dat eruit ziet als een colbert, maar in feite eerder een vest is. Heel comfortabel. Dat hebben we al jaren, dat is iets dat werkt in het dagelijkse leven. Overhemden doen het goed, klassieke pakken. En daarnaast heb je dan de jongere clientèle, die iets uit de shows neemt, of onze trainers koopt.”

Die sneakers zijn ook in Nederland heel populair.

„Ja, de schoenenketen Shoebaloo is een van onze grootste klanten.”

Bent u niet bang dat die sneakers té populair worden? Dat kan op den duur tegen een merk gaan werken.

„Je kunt dat toch niet controleren. Wij hebben het ook niet opgezocht. Maar sneakers ontwerp ik met veel plezier. We hebben zo’n honderd modellen per seizoen. De allereerste, die met een neus van lakleer, doet het ook nog steeds heel goed.”

U werkt met superslanke modellen. Schrikt u weleens als u een normaal lichaam in uw kleren ziet?

„Als ontwerper kies je je klanten natuurlijk niet. Dat aspect heb je niet onder controle. Soms zie ik iemand in mijn ontwerpen en denk ik: ik had nooit kunnen denken dat jij die kleren zou kopen, haha. Maar dat is juist ook goed. Wat ik wel moeilijk vind, is als ik iemand zie in een complete look uit de show. Dat is te letterlijk en te veel. Je hoopt dat klanten zich de kleren eigen maken.”

Uw modellen zijn ook veel jonger dan de mannen die de kleren kopen.

„Mijn modellen zijn tussen de 18 en 25 jaar. De meeste klanten zijn tussen de 35 en 45 jaar. Mode gaat over verlangen, over fantasie, ideaalbeelden. In het gewone leven kunnen de kleren heel goed staan bij oudere mensen, maar op een catwalk en op een foto werkt het niet. Die jeugd, dat is nou eenmaal een gegeven.”

Is het dan lastig om zelf ouder te worden?

„Helemaal niet. Ik voel me nu zoveel meer op m’n gemak dan vroeger, ik heb veel meer controle over wat ik doe.”

Drukknopen

Lanvin is een duur merk. Vindt u dat vervelend?

„Mensen denken dat. Maar we zitten op het niveau van onze concurrenten (bijvoorbeeld Dior Homme en Saint Laurent, MvR) ; dat is iets wat we goed bestuderen. Sommige dingen uit de show zijn wel heel duur. Daar zit dan veel werk in. Als ik een colbert laat zien, is dat op traditionele wijze gemaakt in Italië – dat is niet goedkoop. En dan vraag ik zo’n fabrikant de revers net wat verder van de hals af te zetten dan normaal, waardoor het jasje valt als een vest. En vervolgens om de schouders anders te doen dan hij gewend is, drukknopen te gebruiken in plaats van gewone knopen, enzovoorts. Dat is allemaal extra tijd, dus aan het eind is de rekening hoog. En we ontwerpen veel stoffen zelf, dat is ook kostbaar.”

Uw ideeën zie je vaak later bij andere merken terug. Dat typerende grijsblauw en steenrood, de wijde jassen, die afzakkende schouders, de glanzende stoffen, de tricot broeken. En natuurlijk de sneakers,

„Ik zie dat natuurlijk ook. Ik kan niet zeggen dat ik er gefrustreerd over ben. Anderen kunnen je nadoen, maar ze kunnen niet in je hoofd kijken – ze weten nooit wat de volgende stap is. Die navolging verplicht mij ook om nooit te blijven hangen, om steeds met nieuwe dingen te komen.”

Hoe begint u met een collectie?

„Meestal met een reactie op wat ik daarvoor heb gemaakt, en die kan behoorlijk extreem zijn. Zo gauw de eerste prototypes terugkomen uit de fabrieken krijg ik een angstaanval: Stel je voor dat ik dit aan moet? Wie gaat hier 3.000 euro voor betalen? In het verleden ben ik geregeld te ver gegaan met mijn ontwerpen, vind ik nu. Het werd te zwaar en te ontworpen, of te vrouwelijk. Ik heb geleerd me in te houden. Soms is het veranderen van een kleur of de structuur van een stof genoeg. Ik wil geen dingen meer maken die alleen voor de catwalk zijn.”

Is dat ook de Nederlander in u?

„Dat denk ik wel. Ik heb een aanpak die vrij nuchter is. Ik houd van constructie.”

Ik zie in het beeld dat u op de catwalk neerzet vaak de stijl van de new wavers uit de jaren tachtig terug.

„Ik denk dat iedere ontwerper een beeldbank heeft met geïdealiseerde herinneringen uit zijn jeugd. Je probeert die te moderniseren, maar het is onvermijdelijk dat je er telkens weer bij uitkomt.”

U liep er ook zo bij?

„Als puber had ik een periode dat ik veel zwart droeg. Aan het einde van de middelbare school, ben ik met een vriendin simpele kledingstukken gaan maken op de naaimachine van mijn moeder. Maar de modewereld was heel ver weg. Dat modeontwerper een normaal beroep is waarmee je geld kunt verdienen, daarvan had ik al helemaal geen idee. We woonden in Hoevelaken, op het platteland, met veel dieren. Geiten, fazanten, koeien, kippen, paarden, alles. Mijn ouders hebben nog steeds zoveel dieren. Daarom zijn ze ook pas twee keer bij een show geweest – ze kunnen niet zo vaak weg.”

Reed u vroeger paard?

„Ik was doodsbang voor paarden. Ze zijn zo groot. Ik was bang dat ze mijn angst zouden voelen. Ik heb weleens op een pony gezeten, daar vond ik niet zo veel aan.”

Hoevelaken ligt toch in de Biblebelt?

„Ja, maar wij waren katholiek, vooral mijn moeder is vrij gelovig. Tot mijn veertiende, vijftiende ben ik naar de kerk gegaan. Mijn ouders zijn altijd wel heel open geweest. Ik heb heel gelukkige herinneringen aan mijn jeugd. Ik was altijd buiten, bezig met hutten bouwen en vlotten maken.”

En de middelbare school?

„Het vwo ging me gemakkelijk af, ik zat in een grote vriendengroep. Ik was heel normaal, denk ik.”

U was waarschijnlijk de enige in de groep die op jongens viel.

„Ik voelde me altijd wel een beetje anders, maar ik weet niet of dat nou daardoor kwam. Het speelde niet zo’n rol. Ik ben ook nooit gepest. Ik heb het ergens altijd wel geweten, maar het werd pas echt duidelijk toen ik naar de kunstacademie in Arnhem ging.”

Wanneer wist u dat u de mode in wilde?

„Het was eigenlijk de bedoeling dat ik mijn vaders aannemersbedrijf zou overnemen. Mijn oudere broer was al heel vroeg met wetenschap bezig, dus het stond vast dat hij het niet zou doen. Hij is sterrenkundige geworden en woont in Berlijn. Maar ik wilde liever iets creatievers doen, al wist ik nog niet precies wat. Ik ging naar de kunstacademie zonder een duidelijk idee. Mijn zus had gelukkig wel belangstelling; zij heeft bouwkunde gestudeerd en runt nu het bedrijf.”

Wat trok u aan in mode?

„Dat het gevoelsmatig is. Ik was ook geïnteresseerd in binnenhuisarchitectuur, maar dat associeerde ik te veel met wiskundige berekeningen.”

Was het meteen mannenmode?

„Ik heb op school in het begin ook wel vrouwenmode gemaakt. Tot ik op het Waterlooplein in Amsterdam een oud colbert vond dat met de hand was gemaakt. Ik heb dat helemaal uit elkaar gehaald, om te bestuderen hoe het was gemaakt. Zo is het begonnen. Mannenmode is een andere taal: het gaat om kleine gebaren, om hoe dingen gemaakt zijn. In vrouwenmode is decoratie veel belangrijker. Dat spreekt me minder aan.”

U bent een van de weinige Nederlandse ontwerpers die zich in Parijs hebben gevestigd.

„Dat komt door Le Cri Néerlandais, een groep van zes in Arnhem afgestudeerde ontwerpers waar ik deel van uitmaakte. Viktor en Rolf zaten er ook bij. We hebben twee keer een show gegeven in het Institut Néerlandais. Ik had stage gelopen bij Alexander van Slobbe, die toen al in Parijs showde, en we hadden natuurlijk de Belgische ontwerpers gezien, die zich in het begin ook als groep hebben gepresenteerd. We waren ambitieus en naïef: waarom doen wij zoiets niet? De meesten uit Le Cri begonnen een eigen merk. Ik zag mezelf dat niet doen. Het regelen van de productie, de zakelijke kant; ik had er de kennis niet voor en het interesseerde me eigenlijk ook niet. En ik besefte dat het in Nederland moeilijk zou zijn interessant werk te krijgen; bij een jeansmerk was ik niet gelukkig geworden. Toen ik een baan kon krijgen bij Plein Sud, een Frans vrouwenmodemerk, heb ik dat meteen gedaan. Ik verbaas me er nu weleens over: er was een vriendin van de academie die op dat moment in Parijs woonde, maar verder kende ik hier helemaal niemand.”

Wende u snel?

„Ik voelde me in het begin niet op mijn gemak. Mijn Frans was nog niet goed, en Parijs kan heel gesloten zijn; het is moeilijk vrienden te maken die niet ook buitenlands zijn. Het merk waar ik werkte sprak me ook niet aan. Maar na zes maanden kon ik naar Kenzo, waar de sfeer heel gemoedelijk was, en toen ging het al beter.”

Dior Homme

In 2001 ging u naar Dior Homme, waar Hedi Slimane toen de leiding had. Met zijn smalle silhouet drukte hij een enorm stempel op de mannenmode. Hoe was het om met de mannenmodeontwerper te werken waarover op dat moment iedereen sprak?

„Het was een verschrikkelijke tijd. Hedi werkte er net een seizoen toen ik kwam, het was mijn taak de klassieke pakkencollectie moderner te maken, zodat die beter zou aansluiten bij zijn catwalkcollecties. Maar als ik Hedi wilde spreken, moest ik een afspraak met zijn secretaresse maken. Als ik die dan eindelijk had, werd die verzet, of werd mij verteld dat ik mijn schetsen of samples kon achterlaten. We zeiden u tegen elkaar, terwijl we ongeveer even oud zijn. Heel gekunsteld. Ik snap niet dat ik het drieënhalf jaar heb volgehouden. Misschien, denk ik nu, probeerde hij zich zo te beschermen – hij is verlegen.”

Vernederend.

„Ik was er eigenlijk nogal laconiek onder. Ik heb niet zo’n ego dat ik er last van had. Ik was natuurlijk ook gecast op mijn karakter. Ik ben niet iemand die heel moeilijk is om mee te werken.”

Wat maakte het dan zo verschrikkelijk?

„Ik kon me niet uiten. Ik was alleen maar bezig met iemand anders te behagen, me af te vragen wat hij van me wilde, hoe ik hem tevreden kon stellen.”

Wat vond u van de mode die Slimane maakte?

„Waar ik veel bewondering voor had, is hoe extreem veeleisend hij was. Ik was verantwoordelijk voor de stropdassen in de shows. Dan had ik een doos met vijftig zwarte stropdassen bij me en hadden we eindeloze discussies over de kleur zwart; zwart was nooit zwart genoeg.”

Bleef er wel een das over?

„Jawel, jawel...maar dat streven naar perfectie, die aandacht voor details, daar gaat het natuurlijk om in dit segment. Altijd weer moet je de vraag stellen: wat maakt een product tot een luxeproduct?”

Wat is dat?

„Luxe zit niet aan de buitenkant. Het is iets voor de drager zelf. De kwaliteit van de stof, hoe iets is gemaakt, hoe lang het meegaat.”

Dat zijn niet per se de dingen die in shows worden benadrukt.

„Nee, shows zijn vooral entertainment geworden. Tien minuten na afloop is alles te zien op internet. Maar al die beelden hebben geen enkele relatie met wat op dat moment in de winkels ligt, want daar moet de vorige collectie dan nog binnenkomen. Tegen de tijd dat de collectie dan eindelijk te koop is, is iedereen er al op uitgekeken. Ik vind dat eigenlijk ziek.”

„En dan word ik backstage ook de hele tijd gefotografeerd. Het is bijna alsof ik een performance aan het doen ben. Mijn taak is het ontwerpen van kleren, niet dat ik in elke omstandigheid vastgelegd kan worden. Het is eigenlijk te veel voor me, het komt te dichtbij. Ik heb het idee dat ik niet eens meer gestrest mag zijn.”

Is het altijd zo geweest bij uw shows?

„Nee, dat is pas sinds een jaar of twee, drie zo. Sinds het merk groter is geworden.”

Ik heb u nu twee keer gezien vlak voor een show. U kwam opvallend kalm over.

„Dat is de buitenkant. Ik ben een enorme twijfelaar. Ik kan altijd weer wakker liggen over mijn werk. Ik ben er inmiddels aan gewend – ik sta op en ga iets doen.”

Uw ouders zeggen over u: „Hij is erg in balans. Altijd geweest.”

„Ik denk dat je dit vak alleen lang kunt volhouden als je met beide benen op de grond staat en niet te veel afgaat op wat anderen zeggen, of het nou negatief is of positief. Na al die jaren werken voor anderen heb ik geleerd mijn eigen koers te varen; het enige waar ik echt naar luister, is mijn intuïtie. Ik luister wel naar wat anderen zeggen, maar daarna neem ik mijn eigen beslissing. Mode is ook extreem politiek. Je moet met allerlei verschillende mensen om kunnen gaan en ze kunnen geruststellen dat wat je doet het juiste is.”

Wat doet u na een show?

„Dan ga ik naar de showroom voor een presentatie over de collectie voor de mensen die de kleren aan winkeliers gaan verkopen. Als ik daarmee klaar ben, verandert er iets wezenlijks. Het verhaal, de droom achter de collectie is weg; opeens zijn mijn ontwerpen spullen die verkocht moeten worden. Ze zijn niet meer van mij.”

Madame Wang

Hoe bent u bij Lanvin terechtgekomen?

„Ik hoorde via via dat Alber Elbaz, de creatief directeur, een ontwerper zocht die een mannencollectie bij zijn vrouwenlijn kon maken. Ik heb een kort briefje geschreven, en een week later had ik een ontmoeting met hem en madame Wang, de Taiwanese eigenaresse van Lanvin.”

Hoe was dat gesprek?

„Raar. En best intimiderend. Ik had werk meegenomen, maar daar keek hij helemaal niet naar. Hij wilde weten van welke films ik hield, naar welke muziek ik luisterde.”

Elbaz zocht iemand die geen ja-knikker zou zijn, vertelde hij me. Jullie lijken me ook twee uitersten: hij flamboyant, u nuchter en bescheiden.

„We zijn zuid en noord. Maar het verloopt heel prettig. We hebben elkaar leren waarderen en respecteren. Ik kan alles tegen hem zeggen. We hebben soms discussies, maar dat is om ergens te komen. We hebben hetzelfde doel: de show zo goed mogelijk maken.”

Is het de bedoeling dat uw Lanvin-man past bij zijn Lanvin-vrouw?

„Er zijn natuurlijk overeenkomsten; dat kan een kleur zijn, of een stof. Het heeft dezelfde spirit. Wij zijn geen van beiden Frans – Alber is Israëlisch – maar we streven een Franse elegantie na. We hebben wel een iets andere klantenkring. De mannen die Lanvin kopen, zijn over het algemeen jonger dan de vrouwelijke klanten.”

Hoe begon u destijds?

„Je denkt dat je bij zo’n bedrijf met open armen wordt ontvangen en dat alles voor je wordt geregeld. Ik was gewend aan Dior, met die enorme studio en die enorme equipe. Hier was helemaal niks. Er was alleen een klassieke herencollectie – niet bijzonder, echt zo’n warenhuiscollectie – en de sur mesure (maatpakkenafdeling, MvR). Maar ik zat toen ook nog in een ander gebouw. Ik had een klein kantoortje en een assistent. Daar moest ik het mee doen.”

Hoe deed u het?

„Ik wist meteen dat ik mannenmode minder hard en rigide wilde maken. Ik heb er zelf een ontzettende hekel aan om kleren de hele tijd te voelen. Ik begon pakken en colberts ronder te snijden, alle stijve dingen die er normaal in zitten zoveel mogelijk weg te halen.”

Wanneer wist u: dit gaat lukken?

„De collectie voor najaar 2010 was een keerpunt. Het was de eerste keer dat ik helemaal tevreden was. Ik kreeg hele goede recensies. Ik merkte ook dat de mensen anders naar de show waren gaan kijken, met meer belangstelling.”

Het valt mij op dat Alber Elbaz na afloop vaak geciteerd wordt in artikelen over de mannenshows van Lanvin. Terwijl u in feite alleen verantwoordelijk bent.

„We praten in het begin van het seizoen over de collectie en komen bij elkaar in de studio, zien elkaars stoffen, doen samen de styling van de show. Maar hij geeft me heel veel vrijheid.”

Vindt u het moeilijk dat de aandacht toch naar hem gaat?

„In het begin wel. Maar zo werkt het blijkbaar. Hij is de creatief directeur, en degene die mij heeft aangenomen. Ik vind het nu eigenlijk wel prettig niet zo in de belangstelling te staan. Je wordt als bekende ontwerper zo snel een personage. Als iemand me ergens aanspreekt, ben ik eigenlijk altijd verbaasd.”

Hoe lang woont u nu in Parijs?

„Zeventien jaar. Het gekke is: ik ben natuurlijk niet Frans. Maar in Amsterdam voel ik me ook niet meer echt thuis. Ik ben overal een buitenstaander. Het is een positie waarin ik me prettig voel, het is bijna een privilege. Je kijkt anders naar dingen, je bent meer toeschouwer dan deelnemer. De Franse cultuur, de Franse man, het blijft een fantasie.”

Wat is die Franse cultuur voor u? Heeft die iets magisch?

„Eigenlijk wel. Kijk hoe we hier zitten in dit hotel: het is bijna een paleis. Er is veel historisch besef, er is plaats voor luxe. Mode is hier een belangrijke industrie, en een die open staat voor buitenlanders. Maar er zijn natuurlijk ook dingen die me niet bevallen aan Frankrijk.”

De protesten tegen het homohuwelijk.

„Ik werk zelf in een heel beschermde omgeving, niemand in de mode-industrie heeft maar enig probleem met homoseksualiteit. Als je dan de agressie van die demonstranten ziet, dat heeft iets idioots. Dat zijn de momenten waarop ik blij ben dat ik niet Frans ben.”

U heeft een Franse vriend. Dat heeft vast geholpen om u zich meer thuis te laten voelen hier.

„Hiervoor had ik een vriend in Nederland, en bleef Parijs vooral de plaats waar ik werkte. Dat is sinds vijf jaar definitief veranderd. Ik wist toen ik hem leerde kennen: er is geen weg terug. Ik droom en denk tegenwoordig in het Frans.”

Heeft u nog iets van een privéleven, of werkt u alleen maar?

„Ik heb natuurlijk een vriendenkring, ik ga naar exposities, zie dingen, ga uit. Ik werk vaak in het weekend, maar ik geloof niet in tot diep in de nacht doorwerken, dus ’s avonds ben ik meestal thuis. Maar ik verveel me snel. Ik voel me het gelukkigst als ik aan het werk ben. Vakanties zijn heel moeilijk.”

Verveling kan natuurlijk ook een stimulans zijn.

„Ja, het zijn de momenten waarop ik op nieuwe ideeën kom. Ik heb het nodig, maar ik hoef er niet voor op vakantie. Het kan ook komen als ik naar een theater ga en iets zie dat me niet bevalt. Ik heb dat vrij snel, in het theater. In dans of film kan ik helemaal opgaan, maar toneel blijft altijd een beetje ongemakkelijk.”

Gaat deze baan u ooit vervelen?

„Het verbaast me dat dat niet zo is – al die jaren dat ik nu stoffenfabrikanten bezoek om weer al die collecties te bekijken. En toch kom ik nog steeds elke keer een stof tegen waarvan ik denk: wauw. En dan komt er meteen een idee wat ik ermee wil gaan doen. En gaat de bal weer rollen.”

    • Milou van Rossum
    • Barrie Hullegie
    • Tekst