Horen en zien vergaan niet even snel

Eerst gaan wij naar een verrassend stukje negentiende-eeuws onderzoek dat toch nog moeiteloos de weg vond naar een wetenschappelijk tijdschrift. Een open access-tijdschrift, maar niettemin.

Psychologen van de universiteit van Iowa in Iowa City (Iowa) hebben ontdekt, nee: bevestigd dat mensen, nu ja: psychologiestudenten geluiden slechter onthouden dan beelden en voelbare prikkels. En niet zo’n klein beetje slechter. Stukken slechter. Liet je ze één seconde lang via een koptelefoon een zuivere toon van 1.000 hertz horen en liet je ze 32 seconden later weer precies dezelfde toon horen óf een toon van 1.018 Hz dan kon 40 procent niet zeggen wat wat was geweest. Weer 1.000 Hz of nu 1.018 Hz.

Maar liet je het handjevol psychologiestudenten uit Iowa 1 seconde naar een rood vlak op het computerscherm kijken, en 32 seconden later naar een vlak van dezelfde kleur of juist een ander soort rood dan zat maar 20 procent fout. Idem dito voor een staaf die trilde me een frequentie van 60 Hz of 205 Hz: ook maar 20 procent fout. Lees het na in een leesbaar stukje van James Bigelow en Amy Poremba in PLOS ONE (26 februari).

Echt nieuw was het niet. De geleerden Hugo Münsterberg en Edwin Kirkpatrick hadden al eerder vastgesteld dat reeksen cijfers en kleuren beter werden onthouden als de cijfers en kleuren te zien waren geweest dan wanneer iemand hun namen had opgelezen. Het allerbest werden ze onthouden als je ze zowel zag als hoorde. Zij publiceerden hierover in 1894.

De draad werd een eeuw later weer opgepakt door Michael A. Cohen van Harvard die bedacht dat het misschien uitmaakte als je de proefpersonen naar natuurlijker zaken liet kijken en luisteren dan cijfers en kleuren. Hij ontwierp een protocol waarbij proefpersonen steeds 5 seconden stukjes geluid te horen kregen, zoals het zingen van een vogel, het voorbijrijden van een motorfiets, het gejoel in een zwembad, enzovoort, en onmiddellijk daarna bij een nieuwe presentatie van geluiden moesten zeggen of dit geluid al eerder was afgespeeld of niet. De presentatie bevatte voor de helft geluidsfragmenten die inderdaad al waren gebruikt en voor de helft geluid dat nog niet eerder was afgespeeld. Je kunt het een ‘old-or-new-test’ noemen. Voor beelden en voor de combinatie van beeld en geluid werd eenzelfde proef gebruikt, zie de Proceedings of the National Academy of Sciences (7 april 2009).

Er kwam weer duidelijk naar voren dat beelden beter worden onthouden dan geluiden – zoals in 1894. Omdat het experiment in essentie een verschilmeting is (verschilt dit geluid wel of niet van eerder geluid) heeft Cohen zich afgevraagd hoe je die verschillen zou kunnen kwantificeren – misschien verschillen geluiden sowieso minder van elkaar dan beelden, of zijn beelden altijd rijker dan geluiden – maar daar is hij niet uitgekomen. Wel staat vast dat de herkenbaarheid van het geluid geen rol speelt. De meeste geluiden kunnen prima benoemd worden: dit is een zwembad, dit een stationshal, dat een racebaan.

Enfin, Bigelow en Poremba hebben het werk van Cohen herhaald en uitgebreid. De psychologiestudenten kregen hun ‘old-or-new-test’ niet alleen onmiddellijk na het horen of zien van geluiden en beelden, maar ook 24 uur en 7 dagen later. Ze moesten bovendien ook steeds 5 seconden voelen aan onzichtbare en onhoorbare objecten (nietmachine, ballon, kaars, handschoen, spons, enzovoort, 90 verschillende dingen). Het protocol zat doordachter in elkaar dan dat van Cohen maar weer was de uitkomst: geluiden worden slechter onthouden dan beelden of tactiele prikkels. Althans zoals dat in de test van 7 dagen bleek, over de lange termijn wordt niets gezegd.

De lijsten van beelden, geluiden en dingen die B. en P. voor hun onderzoek gebruikten staan in PLOS ONE. Onder de 90 soorten geluid vinden we niet alleen de stofzuiger, het machinegeweer, de kettingzaag, sambaballen en helikopters, maar ook krekels, ‘zeemeeuwen’, ‘kraaien’ en een koekoeksklok. ’t Blijft allemaal even beroerd in het geheugen hangen.

AW-onderzoek wist hier niet veel aan toe te voegen. De studie leverde bij weinig respondenten een aha-erlebnis op. Sommigen hadden juist last van deuntjes die hinderlijk in het hoofd bleven hangen, anderen wisten nog precies hoe 60 jaar geleden een Super Constellation klonk. Of een Dakota, maar dat laatste misschien omdat er nog wel eens een Dakota laag over Amsterdam vliegt. Eens per jaar.

Toch vliegen we zo spelenderwijs een probleem binnen waar zelfs getrainde vogelaars mee zitten: dat ze in de winter, als de trekvogels stilletjes in Zuid-Spanje of donker Afrika zitten, vergeten hoe die vogels zongen en riepen. Elke winter opnieuw. In augustus wisten ze het nog, in april niet meer. Met de geheide winterzingers zoals de roodborst en de winterkoning zijn nooit moeilijkheden en er is een handvol vogelgeluiden markant genoeg om ze evenmin te vergeten (de koekoek, de groene specht, de tjiftjaf, de wielewaal).

Maar rietzangers en karekieten, zwartkop en tuinfluiter, matkop- en glanskopmees, bonte vliegenvanger en gekraagde roodstaart: het is een ramp. Denk ook aan al die piepers. Elk voorjaar ergernis.

Het is te voorkomen, het is te verhelpen, het ritselt van programma’s en programmaatjes waarmee je de Orpheusspotvogel of de Petsjorapieper desnoods op oudejaarsavond in de kerstboom tot leven brengt, maar daar gaat het niet om. Het interessante is dat alle vogelgeluiden goed herkend worden, ze scoren hoog in de ‘old-or-new-test’, maar je weet niet bij welke vogel ze horen. Dat onderscheid hebben ze in Iowa niet gemaakt.

    • Karel Knip