Aantal aardbevingen afzetten tegen het productievolume

Het artikel van Karel Knip in het katern Wetenschap van 1 maart over aardbevingen in Groningen is waarschijnlijk het eerste in een landelijk dagblad sinds de beving bij Huizinge in 2012 dat recht doet aan de nuances in deze moeilijke materie. Het geeft ook grotendeels correct de bevindingen weer van de onderzoeken uitgevoerd in 2013. Toch is er één aspect dat een belangrijke kanttekening behoeft. Dat is de grafiek van het verloop van het cumulatief aantal bevingen tegen de verstreken tijd (de laatste 15 jaar). Deze grafiek is overigens ook vorig jaar al in NRC geplaatst. De keuze voor tijd als dimensie van de horizontale as lijkt voor de hand te liggen, maar is toch geen goede. De suggestie wordt gewekt dat het aantal bevingen behorende tot een bepaalde zwaarteklasse min of meer op een rechte lijn liggen, die dus door te trekken valt naar de toekomst. Ten eerste is hier sprake van enig optisch bedrog, vanwege de logaritmische schaal van de verticale as. Belangrijker echter is het feit dat de keuze voor tijd als eenheid van de horizontale as voorbij gaat aan de sterke variatie in de jaarlijkse gaswinning (van ruim 20 tot 53 bcm/jaar). Omdat het volume aan geproduceerd aardgas bepaalt hoeveel de druk in het gasreservoir in een bepaalde periode daalt, bepaalt ook dat volume in eerste orde het aantal bevingen in diezelfde periode. Beter is het daarom de aantallen bevingen uit te zetten tegen het cumulatieve productievolume. Gebruik van de in het artikel getoonde grafiek voor voorspellingen impliceert de veronderstelling dat het niet uitmaakt voor het aantal bevingen in de komende jaren hoeveel gas er gewonnen wordt. Dat is beslist niet het geval.