Dit gaat kilometers zo door

Arjen Fortuin grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft zijn eerste indruk.

We reden oostwaarts de grens over en mijn vader zei: „Kijk, Drenthe, dit gaat zo duizenden kilometers door tot in Rusland toe.” Het was niet bedoeld als compliment en, eerlijk is eerlijk, heel opwindend zag Noord-Duitsland er niet uit. Des te beter dat Gerrit Jan Zwier het gebied rehabiliteert in Pension Waldidylle. Het noorden van Duitsland herontdekt. Het noorden loopt overigens door tot bij Würzburg en Bamberg, waar Zwier anekdotes over de heksenvervolgingen vindt: „Ik heb ook eens een hostie uit mijn mond genomen en die aan mijn huisduivelin gegeven. Ik heb ook enkele malen seksueel contact met haar gehad.”

Zwier is een rustige, belezen reiziger. In de Harz pakt hij uiteraard Heinrich Heine erbij: „Je slaat altijd zijwegen en voetpaden in en denkt zo dichter bij je bestemming te komen. Zoals overal in het leven, zo vergaat het ons ook in de Harz.” En op Helgoland treft hij zelfs Duitse humor aan: „Zo is ergens een ‘Helgolander weersteen’ opgehangen: is de steen nat, dan regent het; is hij wit, dan sneeuwt het; wijst de punt naar boven, dan is de wereld vergaan, en tot slot: is de steen weg, dan is hij gestolen.”

Vroeger was het Boekenweekthema goed voor dertig flodderige gelegenheidsboekjes, maar sinds de verkoopcrisis het boekenvak in zijn greep kreeg, is het aantal speciale uitgaven spectaculair gedaald en de kwaliteit ervan behoorlijk toegenomen. Neem het prachtig uitgevoerde Het beste van Nederland van Rik Zaal, een soort cultuurreisgids door Nederland, vol mooie lege foto’s waarop de wind de mensen weggeblazen lijkt te hebben.

Of waarin ineens een kerktoren uit het gras omhoog steekt. Geen kunstwerk van Wim T. Schipppers, maar het Torentje van Jut. „Van dichtbij blijkt het te bestaan uit een bakstenen punt op een witgepleisterd gebouwtje met vier nissen waarin merkwaardig gevormde scheuren zijn aangebracht. Het is in 1860 opgericht door Jut van Breukelerwaard als hulde aan vier uit Duitsland afkomstige, zogenaamde watergeneeskundigen die in Laag-Soeren een sanatorium dreven. Jut was ooit door een watertherapie van zijn jicht genezen en stichtte daarna, in 1848, op deze plek met veel zogeheten sprengenwater, het eerste kuuroord van Nederland.”

Meer binnenlandse zaken in Langs de nullijn van Sietse van der Hoek, die dwars door Nederland reisde in een slinger van Zeeuws-Vlaanderen via Zwolle naar Groningen – over de grens tussen het Nederland onder en boven NAP. Van der Hoek is goed gedocumenteerd en heeft een journalistieke blik. Dat is te prijzen, al leidt zijn hang naar feitelijkheid tot minder opwindende passages: „Dordrecht kent galeries en beeldende kunstenaars van landelijke importantie en telt inderdaad een meer dan gemiddelde hoeveelheid kunstzaken, antiquariaten, boekhandels, antiek- en curiosawinkels, en als uitvloeisel daarvan ook behoorlijk wat restauratieateliers voor meubels, klokken en dergelijke.”

Gelukkig memoreert hij het slagroomincident van Nulde. Groningen-speler Ronald Koeman had een conflict met trainer Theo Verlangen over zijn gewicht. Verlangen: „Op weg naar uitwedstrijden dronken we vaak koffie in wegrestaurant Nulde. En bij de koffie namen we altijd appelgebak, maar op gezag van de medische staf zónder slagroom. Op een dag kwam ik als laatste het restaurant binnen en daar zaten die gasten allemaal met een lik slagroom op de appeltaart. Ik denk dat Ronald daar achter zat.”

Dan had FC Groningen maar met de trein moeten reizen. Dat vervoermiddel blijkt alleen al in Nederland zo veel poëzie te hebben opgeleverd dat Henny Vrienten de bloemlezing De trein schrijft liedjes van verlangen heeft kunnen maken. Vrienten is geen spoorspecialist: „Ik woonde in het zuiden van Tilburg, ver van het station, en zag bijna nooit een trein, laat staan dat ik erin zat.” Schitterende gedichten, van Judith Herzberg tot Georgine Sanders (aka Tineke Vroman) en van Kouwenaar tot Brood: „Trein hale/ pleuris lope/ potver 3/ op ’t nippertje/ alleen: geen kaartje.../ kan ’k ook in de trein/ kope hoewel/ ak um zie kome/ gaa ’k snel effe de/ plee op... deur nie op slot”.

En dan is natuurlijk Gerrit Achterberg er nog. ‘Station’:

Ik voelde me bezoedeld in zijwegen en vroeg de weg aan kinderen. Zij wezen en wisten dingen, die ik had gelezen in oude kranten; keken schuw-verlegen, of ze het niet vertrouwden. Ik moest wezen bij ’n school, maar alles was al bos. We kregen een meisje op de fiets. Zij liet zich deze kwestie uitleggen, bloosde toegenegen en stapte op. Houtwagens kwam ik tegen en zag het leven openstaan, genezen. Ontschorste bomen lagen aan de kant klaar voor de meubelindustrie van ’t land. Onder mijn eigen naam en zonder vrezen heb ik die middag opeen bank gelegen en ben vertrokken van een klein station, dat vrijuit achter mij vergroeien kon.