Bij genvoedsel kan beter de plant zelf getest worden

Wat: Ratten die drie maanden heel veel genvoedsel eten

Uitgevoerd want: EU voerde test in onder druk van publieke opinie

Hoeveel: ongeveer 1.500 dieren per jaar, vooral in de VS

Wil een fabrikant een genetisch gemodificeerd gewas in Europa op de markt brengen, dan moet hij het sinds december 2013 aan ratten voeren, drie maanden lang. „Ik zie daarvoor geen wetenschappelijke basis”, zegt Harry Kuiper. Hij was tot 2012 voorzitter van het wetenschappelijke comité dat in de Europese Unie de toelating van genetisch gemodificeerde gewassen beoordeelde.

De meeste gengewassen die in Europa op de markt zijn, zijn voor veevoer. De belangrijkste zijn maïs, soja, raapzaad en katoenzaad. Voor de toelating zijn allerlei tests verplicht. Genetische analyses van de plant, een karakterisering en risicobeoordeling van het via gentechnologie ingebrachte eiwit en veldproeven om te zien of de planten normaal zijn.

„Dat zijn veel betere methoden om te onderzoeken of een gengewas veilig is”, zegt Kuiper. „Whole-food dieettests zijn heel ongevoelig.” Toch voerde de EU ze in, na een Frans onderzoek – geruchtmakend, maar uit wetenschappelijke hoek zwaar bekritiseerd – waarin ratten tumoren ontwikkelden als ze langdurig genmaïs aten.

Zinloos, vindt Kuiper. Je kunt een gengewas maar in beperkte doses aan ratten toedienen. Bij maïs is 30 - 35 procent van het voedsel het maximum. Alleen als het nieuwe eiwit erg giftig is én door de plant in grote grote hoeveelheden wordt gemaakt, kan het effect in de rat te zien zijn.