Vijftig eilanden, uitgeschud in de wereldzeeën

Het begon met het verlangen van een atlaskind. Dat verlangen is nu gestold in een zelf getekende atlas met wereldwijd verspreide eilanden, in Duitsland uitgeroepen tot het best verzorgde boek van het jaar.

Macquarie (bij Australië)

Het eiland Frischlant heeft honderd jaar bestaan. Van 1560 tot 1660 lag het op vrijwel alle kaarten, ergens halverwege Schotland en de zuidpunt van Groenland. Zeeverkenners hebben het mogelijk verward met IJsland of de Faroer-eilanden, maar er zijn ook kaarten waarop Frischlant en die andere eilanden te zien zijn. Sindsdien is het spoorloos verdwenen.

Ascension Island bestaat nog steeds. Het is een van de laatste kruimels van het Britse Rijk en ligt in de Atlantische Oceaan, net onder de evenaar, halverwege Brazilië. Het ligt ook halverwege Londen en de Falkland-eilanden. Vliegtuigen van de Royal Air Force gebruiken het als tussenstop. Spionnen en rakettechnici zijn er vaste bewoners. Op elke top staan schotelantennes. Als je erom vraagt, geven ze een stempel in je paspoort, met een plaatje van een zeeschildpad en de naam van het vliegveld: Wideawake. Een mooie naam voor een strook kokend asfalt en wat loodsen in een landschap van as en lava.

Frischlant komt niet voor in De atlas van afgelegen eilanden, Ascension wel. Maar voor schrijfster en tekenaar Judith Schalansky is er geen fundamenteel verschil tussen die twee. De ‘vijftig eilanden waar ik nooit ben geweest en ook nooit zal komen’ uit de ondertitel bestaan voor haar voornamelijk als droom.

Eenzaam eiland

Schalansky, in 1980 geboren in de voormalige DDR, noemt zichzelf ‘een atlaskind’, dat gewend raakte aan ‘vingerreizen’ in een tijd dat echt reizen verboden was. Dat bleef zo nadat de Muur was gevallen, en ‘mijn geboorteland met zijn ingetekende en gevoelde grenzen van de kaarten verdween’. Sindsdien wantrouwt ze politieke wereldkaarten, waarop ‘alles tijdelijk’ is. Zelfs de fysische landkaart in groen en blauw en bruin noemt ze ‘een genadeloze generalisering’. Slechts één keer zag ze een volmaakte kaart: een eiland zonder naam en schaal, losgezongen van elk continent, maar in minutieus detail getekend door een negentiende-eeuwse cartograaf, vermoedelijk als oefening. ‘Helemaal volmaakt en tegelijkertijd verloren. Een eenzamer eiland heb ik nooit gezien.’

Volmaakt en verloren – het zijn vaste ingrediënten van de aantrekkingskracht door verre eilanden. Op echte en leunstoelreizigers. De schrijver Boudewijn Büch (1948-2002) was een manische eilandenverzamelaar van het eerste type. Schalansky is van het tweede. Niet omdat het teveel moeite zou zijn erheen te gaan (hoewel sommige eilanden uit haar boek inderdaad vrijwel onbereikbaar zijn, zoals het atoombom-atol Fangataufa). Maar omdat ze meer houdt van het verlangen dan van ‘de bevrediging door het bereiken van hetgeen verlangd wordt’. Niet voor niets rekent ze de cartografie ‘tot de poëtische genres’.

Bounty

Schalansky is ook grafisch ontwerper en typograaf. De tekeningen van dieren in De lessen van mevrouw Lohmark, de roman waarmee ze in 2012 in Nederland bekend werd, maakte ze zelf. In 2009 werd De atlas van afgelegen eilanden in Duitsland uitgeroepen tot het mooist verzorgde boek van het jaar.

Aan elk van haar vijftig eilanden, losjes uitgeschud in vijf wereldzeeën, is een dubbele pagina gewijd. Linksboven staan hun coördinaten, oppervlak, inwoneraantal en afstand tot een vasteland of andere eilanden. Met wat relevante data uit hun geschiedenis. (‘De ontdekkers zelf werden geroemd alsof het om een creatieve prestatie ging, alsof ze de nieuwe werelden niet alleen hadden gevonden, maar zelfs uítgevonden’, schrijft ze.) En daaronder zet ze elk eiland in één treffende scène neer.

Sommige eilanden zijn ondanks hun isolement, of juist daardoor, bekend. Zoals Pitcairn, in de Stille Oceaan, waar de muiters van de Bounty in 1790 een nieuw leven begonnen. Of St Helena, ballingsoord van Napoleon Bonaparte. Maar Schalansky ontwijkt de clichés meestal behendig.

We zien Napoleon dus niet ijsberen op zijn klip, maar ze laat hem opgehaald worden in 1840, negentien jaar na zijn dood.

Een voor een opent ze bij fakkellicht de vier in elkaar geschoven grafkisten van mahonie, lood, ebbenhout en tenslotte de kist van tin, waarin de keizer ligt, ‘met een blauwe baard en lange, heel witte vingernagels’.

Kwallen

Schalansky brengt ook onbekende eilanden wondermooi tot leven. Ze schrijft bedrieglijk onopgesmukt, soms met bijna niets in handen. Zoals haar beschrijving van het eiland Raoul bij Nieuw-Zeeland, aan de hand van een advertentie waarin een beheerder wordt gezocht. ‘Aardbevingen behoren tot de dagelijkse gang van zaken. [...] Een wezenlijke taak bestaat uit het verdelgen van uitheemse planten’. Je reinste Lord of the Rings. Of het eiland Howland in de Stille Oceaan.

Over het eiland zelf schrijft ze maar één zin: ‘Het atol is zo klein dat een wolk voldoende is om het aan het zicht te onttrekken.’ Wel een cruciaal zinnetje. De rest van de passage gaat over de Amerikaanse vliegenier Amalia Earhart, die daar in 1937 verongelukt is. Een schip bij Howland ving haar laatste radiobericht op: ‘We moeten vlakbij zijn. Brandstof wordt krap.’

Op de rechterpagina’s liggen de eilanden zelf in wit en grijs, hun reliëf met fijne pen getekend, met soms een weg of nederzetting in gele inkt. De zee die eromheen spoelt is grijsblauw, geen vasteland in zicht. Zo lijken de eilanden te zweven, als de kwallen in De lessen van mevrouw Lohmark. Of dat spookeiland Frischlant.

Schalansky begon aan haar atlas met het ‘naïeve geloof dat op eilanden de ware schoonheid is te vinden’. Maar ze stuitte overal op schipbreuk, honger, ziekte, moord, gevangenschap en verkrachting. Nog in 2004 stond de helft van alle mannen uit Picairn terecht voor misbruik waaraan ze zich tientallen jaren hadden schuldig gemaakt.

Hic sunt dracones, hier wonen monsters, stond ooit langs de kaartranden, waar terra cognita ophield. Sommigen dachten op een eiland een utopia te stichten. Maar het slechtste kwam er in hen boven. ‘Ze veranderden in de monsters die ze bij hun moeizame ontdekkingsarbeid van de kaart hebben verdrongen’, schrijft Schalansky. ‘Het paradijs mag dan een eiland zijn, de hel is het ook.’

    • Hans Steketee