Vergeven en vergeten is hier een misdaad

Jimmy Nelson fotografeerde gemeenschappen die verdwijnen, maar nu nog leven naar oude gebruiken. Hoe lang nog voordat aan hun handen ook een iPhone kleeft?

Boven: Leden van het Asaro-volk op Papoea-Nieuw-Guinea en een vrouw van het Mursi-volk in Ethiopië Uit besproken boek

Dit boek is te mooi om waar te zijn. Honderden oogstrelende kleurenfoto’s van tientallen stammen die in hun eigen wildernis met zorg zijn geportretteerd. De Britse fotograaf Jimmy Nelson reisde van Ethiopië naar Nieuw-Zeeland, van Papoea-Nieuw-Guinea naar Mongolië, van India naar Siberië, en verbleef er soms onder barre omstandigheden. Zo grappig is het niet als ’s nachts een rendier door je tent dendert omdat het dier van het zout in menselijke urine houdt.

De titel Before They Pass Away suggereert het al: Nelson fotografeerde gemeenschappen die verdwijnen, maar nu nog leven naar eeuwenoude gebruiken, in hun eeuwenoude habitat, waar eigen wetten en riten gelden en vaak voorouderlijke goden heersen. Hoe lang zal het duren voordat aan hun handen ook een iPhone kleeft? Houtkap en oliewinning, toeristen en ziektes schrijden voort en rukken op.

Nelsons voorbeeld was Edward Sheriff Curtis (1868-1953), zijn Amerikaanse collega die de Noord-Amerikaanse Indianen visueel documenteerde als de trots ogende oerbewoners van gebieden die ze moesten prijsgeven. En zie daar, zoveel decennia later, drijven indianen casino’s en staat op hun gezicht, de plastic smile van ‘have a nice day and make me rich’. Gelukkig is er nog altijd Curtis’ nalatenschap.

Nelsons XXL-boek, onlangs bekroond met de Deutscher Fotobuchpreis 2014, zou, zoals Curtis doet, ook volgende generaties wel eens kunnen verbazen. Neem nu de gevaarlijk ogende Mursi, een herdersvolk bij de Omo-rivier in Zuidwest-Ethiopië. Wit gekalkte, naakte mannen, met grote ringen en handlange slagtanden aan hun oren, en een geweer op de arm. Je kijkt wel uit om het dal van de Omo te verkennen. Hun vrouwen dragen een lemen schijf in hun onderlip; de dame met de grootste is uitverkoren.

Behalve reeksen individuele portretten maakte Nelson grote opnamen, soms over drie pagina’s uitvouwbaar. Staatsieportretten zijn het van groepen, die tegen hte decor van hun onherbergzame of paradijselijke leefomgeving getuigen van macht, schoonheid of simpelweg van het alledaagse leven. De schoonheid is, los van camerakwaliteit en componeerkunde, vooral toe te schrijven aan de mensen zelf. Ze versieren zich met paradijsvogelveren, bloemen, takken, schelpen, bundels sieraden, peniskokers – je kijkt je ogen uit. En verf als ‘kleding’ is nog steeds populair.

Nelson ontmoette het promiscue herdersvolk van de Himba in Namibië waar de stoere vrouwen grotendeels naaktlopen; de Mustang met hun wijnrode punkkammen op een 3.000 meter hoog plateau tussen Tibet en Nepal; de Tsaatan in Mongolië die in tegenstelling tot de Russische Nenets hun rendieren nooit opeten; de met zilver en ivoor beladen Rabari die zo’n duizend jaar geleden van Perzië naar Gujarat en Rajastan trokken; de Huaorani in Ecuador, gevreesde krijgers in het Amazone-gebied, die geloven dat hun doden reïncarneren in termieten als ze op het pad naar het dodenrijk niet aan de anacondaslang weten te ontsnappen.

Al deze volken, steeds met een standaardlijstje karakteristieken toegelicht, leven een eeuw ná Curtis nog ‘puur en eerlijk’, aldus Nelson. Zij kennen ‘geen leugens en hypocrisie, geen hebzucht, maar wél solidariteit, vredelievendheid en solidariteit.’ Hij noemt zichzelf ‘romanticus, idealist en estheet’. Esthetiek is er in dit boek te over, maar bij al die toegedichte, prachtige eigenschappen zet je vraagtekens. Zijn deze ‘nobele wilden’ echt gevrijwaard van eigenschappen als jaloezie, egoïsme en agressie? Of maakt de westerling zichzelf graag wijs dat het basale bestaan in ‘harmonie’ met de ruige natuur een rechtvaardiger, milder en vrijer mens voortbrengt? En wil hij daarom deze ‘wildvreemden’ zo graag in het écht wil zien?

Niet bij de ‘geciviliseerde’ Maori’s en Gaucho’s, die ook in dit boek voorkomen, maar bij andere volken vraag je je ook nog af in hoeverre zij de toerist Nelson ter wille wilden zijn door zich nog mooier, nog rijker, nog vreemder uit te dossen – wetende dat wij witte westerlingen exotische authenticiteit zo waarderen.

Verbijsterend zijn de foto’s van bijvoorbeeld de Huli, de Asaro en Kalam op Papoea-Nieuw-Guinea. De Huli dragen taps toelopende pruiken van hun eigen haar en beschilderen hun gezicht met witte, rode en gele verf. De Asaro besmeuren zichzelf met modder, zetten boosaardige maskers op en terroriseren naburige dorpen. Men vecht in dit gebied, om land, varkens of vrouwen – in die volgorde. Vergeten en vergeven is er een misdaad. Bij een conflict geef je een groot feest met veel varkens op het menu. En je dost je uit in met verentooien, schelpensnoeren, vogelvleugels, zwijnentanden.

Veel portretten lijken, zoals gezegd, te mooi om waar te zijn. Maar kijk je nog eens goed, rustig, pagina voor pagina, dan weet je het zeker: dit is echt; wij zelf staan zo ver van dit leven af dat we beelden als deze niet eens hadden kunnen verzinnen.