Van het ene beton naar het andere

John Grindrod reisde langs Britse steden en zag hoe groot de ravage is die stedenbouwers er na 1945 hebben aangericht. Eenzelfde vernietigend oordeel velt Vincent van Rossem over Nederland.

Opgeknapt deel van Park Hill, het betonnen wooncomplex in de geest van Le Corbusier in Sheffield, Groot-Brittannië Foto Daniel Hopkinson/Arcais/Corbis

Een van de bekendste uitspraken van de Britse kroonprins Charles is dat moderne architecten na 1945 meer schade hebben aangericht in Britse steden dan de Luftwaffe tijdens de Blitzkrieg. In zijn inaugurele rede als hoogleraar monumenten en stedenbouwkundige vraagstukken in Amsterdam, gaf architectuurhistoricus Vincent van Rossem prins Charles vier jaar geleden gelijk. Niet alleen in Groot-Brittannië, waar veel steden tijdens de oorlog werden gebombardeerd, maar ook in Nederland hebben stedenbouwers tijdens de wederopbouw grote delen van oude binnensteden laten slopen, zei Van Rossem in zijn rede die onlangs onder de titel Stedenschennis is gepubliceerd.

De reconstructie van het oude, gebombardeerde Middelburg was na 1945 een hoge uitzondering in Nederland. ‘Vreemd genoeg beschouwden stedenbouwkundigen en architecten oorlogsschade juist als een geweldige kans om radicale vernieuwingen door te voeren’, schrijft Van Rossem. Sterker nog, niet alleen Rotterdam, dat in het begin van de oorlog was getroffen door een grootscheeps Duits bombardement, maar ook oude Nederlandse steden met weinig of geen oorlogsschade gingen op de schop.

Jodenbuurt

Zo werd in Amsterdam eerst de oude Jodenbuurt rondom het Waterlooplein hardhandig ‘gesaneerd’. Vervolgens werden in de jaren voor en na 1970 bijna alle huizen op de oude oostelijke eilanden Kattenburg en Wittenburg gesloopt. Ook voor de Jordaan, nu een van de populairste buurten van Amsterdam, bestonden sloopplannen maar die zijn uiteindelijk, na een soort volksopstand tegen de stadsvernieuwing, niet uitgevoerd.

Van Rossem laat aan de hand van oude foto’s zien dat er geen bouwkundige noodzaak tot sloop van de Jodenbuurt en Oostelijke Eilanden was. Weliswaar waren deze buurten bestempeld tot achterbuurten, maar de meeste huizen waren er na de oorlog beslist geen krotten. Een grandioze mislukking noemt hij de stadsvernieuwing van de Oostelijke Eilanden dan ook. Als de bebouwing er niet was gesloopt, waren de eilanden nu ook een soort Jordaan geweest. Maar dankzij de stadsvernieuwing zijn ze net zo onaantrekkelijk als alle andere buitenwijken die begin jaren tachtig in Nederland zijn gebouwd.

Het belangrijkste argument voor de sloop van oude wijken was het toenemende autoverkeer. Dit maakte brede snelwegen dwars door de oude steden noodzakelijk, dachten stedenbouwers. Maar achteraf blijkt dit een vergissing, schrijft Van Rossem. ‘Ondanks de ravage die men heeft aangericht in oude Europese steden is het autoverkeer ten slotte toch volledig vastgelopen.’ Toen vervolgens de bedrijvigheid wegtrok uit de oude centra naar kantoren aan de randen van de stad, herleefden de oude binnensteden, stelt Van Rossem vast in zijn overtuigende tirade tegen de stadsvernieuwing. ‘Na decennia van verschraling en dehumanisering lijkt het alsof de stad haar verkeersinfarct overleefd heeft.’

In Groot-Brittannië verliep de stadsvernieuwing op vergelijkbare wijze als in Nederland, zo laat journalist John Grindrod zien in Concretopia. A Journey around the Rebuilding of Postwar Britain. Hij reisde de afgelopen jaren langs new towns als Stevenage, winkelcentra uit de jaren zestig en stadsvernieuwingswijken als Park Hill, de beruchte betonkolos met ‘straten in de lucht’ in Sheffield’. Grindrod, die zelf in de grondig vernieuwde Londense wijk Croydon woont, sprak ook met bewoners en de ontwerpers van de woonwijken uit de wederopbouw en verwerkte de interviews in een levendig reisverslag.

Betonnen woonschip

Vooral de stadsvernieuwing van de jonge architecten die na WO II aan de slag gingen, was geïnspireerd door de Unité d’ Habitation, het beroemde betonnen woonschip op poten van Le Corbusier in Marseille. De geschiedenis van veel van de Corbusiaanse stadsvernieuwingen is in Groot-Brittannië volgens eenzelfde patroon verlopen. Eerst zijn de bewoners blij dat ze uit hun oude huizen zonder badkamer zijn verhuisd naar comfortabele appartementen. Maar al na een jaar of tien zijn de betonnen complexen veranderd in naargeestige achterbuurten. Ten slotte zijn veel Corbu-complexen afgebroken, als Grindrod ze bezoekt, staan ze, zoals Park Hill, voor de helft leeg.

Vreemd genoeg trekt Grindrod uit zijn onthutsende reis niet de conclusie dat de stedenbouwers na WO II ‘met meesterhand nieuwe achterbuurten hebben gebouwd’, zoals Van Rossem schrijft over Wittenburg. Integendeel, hij eindigt zijn boek juist met een liefdesverklaring aan de betonnen monsters van de wederopbouw. Tijdens zijn reis is hij niet gedesillusioneerd geraakt, schrijft hij, maar ‘nóg verliefder geworden op de Concretopia, die ze, in veel gevallen vergeefs, probeerden te bouwen.’