Reizen om je eigen lot te relativeren

In zeventig verhalen reist Ransmayr de wereld over. Van Azië naar Zuid-Amerika, van Bounty-eiland Pitcaïrn naar Moermansk. Het levert een veelzijdig en kleurrijk beeld van de mensheid op.

Christoph Ransmayr in 2006 Foto Oliver Ruether/laif/HH

Een reis om de wereld in 352 bladzijden. Dat gevoel krijg je als je je mee hebt laten voeren door Christoph Ransmayr in zijn Atlas van een bange man. Zonder je kamer te hoeven verlaten verzeil je overal waar je nooit zult komen en spreek je zonderlinge mensen die je leven verrijken.

In zijn succesroman Die letzte Welt (1988) liet Ransmayr zijn hoofdpersoon Cotta naar Ovidius gaan, die in het jaar 8 na Christus in de vervallen stad Tomi aan de Zwarte Zee zijn verbanning uitzat. Cotta vond hem niet, maar trok wel door een betoverend en grimmig landschap dat voortdurend een metamorfose onderging en hem in de meest vreemde situaties deed belanden. Het leverde een lofzang op de kunst op, maar ook een actueel ondergangsscenario voor het ‘verloederende’ Oostenrijk van nu.

In Atlas van een bange man reis je opnieuw met Ransmayr mee. In zeventig korte verhalen, die telkens beginnen met ‘Ik zag’, voert hij je de hele wereld over, van Chili naar China, van de VS naar Marokko, van Oostenrijk naar Nieuw-Zeeland, van Rusland naar Ierland. Hij bezorgt je daarbij voortdurend een Robinson-Crusoë-gevoel: dat van de nietige mens die het op moet nemen tegen de almachtige natuur en de wrede geschiedenis.

Het eerste verhaal speelt zich af op Paaseiland. Ransmayr dompelt je meteen onder in een vreeswekkende verlatenheid. De oorspronkelijke bewoners van het eiland, de Rapa Nui, zijn van de honger omgekomen en uitgestorven. Een medepassagier op het schip dat de verteller vervoert, zegt hem dat niemand weet waar die verdwenen stam oorspronkelijk vandaan komt. In de loop van de geschiedenis was in de overlevering van de Rapa Nui iedere herinnering aan hun gebied van herkomst verloren gegaan. Daardoor waren ze gaan denken dat er geen andere mensen op aarde woonden dan zij en er geen ander land bestond dan hun eiland. Op die manier roept Ransmayr een beklemming op die je in de andere verhalen in dit boek ook steeds tegenkomt, zelfs al spelen ze zich af in een hartelijk land als India.

Sommige mensen die de verteller op zijn tochten langs eilanden, door woestijnen en oerwouden, en op de Cambodjaanse ‘Killing Fields’ ontmoet hebben de vreselijkste dingen meegemaakt. Anderen zijn vermakelijke zonderlingen, zoals de golfspeler die op de Noordpool zijn balletjes slaat of de Britse vogelaar Mr Fox die langs de Chinese Muur op vogelgeluiden jaagt en ‘grensgezangen’ wil ontdekken, wat ‘een muur van liederen’ oplevert.

Mooi is Ransmayrs beschrijving van Moermansk, waar onder de ramen van de flatgebouwen plastic tassen met levensmiddelen, zakken kleding, stoelen en fietsen bungelen: ‘De gevel van een flatgebouw leek zo een zwevende tentoonstelling van de toebehoren van een leven vol gebrek en vergeefse hoop.’ Het is het Rusland van Poetin in een notendop. In Ransmayrs poëtische en rijke taal dwingt zo’n beschrijving je iedere keer weer tot een soort bezinning en tot het relativeren van je eigen omstandigheden.

In de verhalen die zich in Oostenrijk afspelen gelden andere parameters. Hier maakt de almachtige natuur plaats voor het katholieke dorpsleven, dat de mentaliteit van een heel land lijkt te bepalen. In het Weense psychiatrisch ziekenhuis Am Steinhof zet Ransmayr bijvoorbeeld een getraliede wereld neer, een microkosmos die model staat voor de benepenheid van zijn landgenoten. Hij laat die gevangenis openbreken door een circus zijn tenten op het gestichtsterrein te laten opslaan. En dan gloort ineens het licht van de vrijheid. Zo veel feller dan in de wereld erbuiten.

    • Michel Krielaars