Pupil van de week

‘Dus geen profvoetballer?”, vraag ik. We staan met z’n tweeën in het gangetje bij de kleedkamers. Jasper heeft me net verteld dat hij later archeoloog wil worden. Hij is acht jaar en voetbalt in de F9 van de club waar ik deze dag ben aangesteld als scheidsrechter voor het eerste elftal. Jasper is pupil van de week.

„Nee.” Het blonde joch schudt zijn hoofd. „Of misschien wil ik dat wel”, nuanceert hij zichzelf, „maar ik denk eigenlijk niet dat ik daar goed genoeg voor ben.”

Ik knik begrijpend en stel hardop vast dat archeoloog ook een heel mooi beroep is. Een betere reactie op zoveel jeugdige zelfkennis kan ik even niet bedenken.

Het getik van kunststof noppen op een stenen vloer vult de ruimte. Op dit moment, hier in deze smalle gang bij een onbeduidend amateurclubje, een paar minuten voor de aftrap van een feitelijk al even onbeduidend wedstrijdje, voelt het als de catacomben van een kolkend stadion. De spelers van beide teams vormen ongevraagd twee keurige rijen achter de grensrechters, Jasper en mij. Het is Ajax tegen Feyenoord, en ik ben de scheids.

Ik kijk naast me, de pupil van de week wiebelt een beetje. Op vaderlijke toon vraag ik of hij het spannend vindt. Jasper schudt zijn hoofd. „Ik moet alleen plassen.”

Met een minuutje vertraging marcheren we, begeleid door een ouderwets parademuziekje, het hoofdveld op. Als we rond de middenlijn zijn aangekomen, sterven de trommels en trompetten langzaam weg om plaats te maken voor een knullig welkomstpraatje. Een oudemannenstem met zware tongval begint voor die paar toeschouwers op het gammele, houten tribunetje de opstellingen voor te lezen. Na de laatste speler klinkt uit de brakke luidsprekertjes zowaar mijn eigen naam. Een klemtoon is verkeerd gekozen, maar het kan me niets schelen. Dit is nog steeds De Klassieker.

„En de pupil van de week is Jasper de Jong!”, kraakt het ten slotte door de versterkers.

De jeugdige mazzelaar mag straks, bij wijze van aardigheidje, zogenaamd de aftrap verrichten. Nadat ik heb getost zal ik op mijn fluitje blazen en dan mag Jasper met de bal aan de voet richting een van de doelen dribbelen. Als hij veel te zacht op het doel schiet, zal de keeper over de bal heen duiken en zullen alle aanwezige volwassenen juichen of vertederd lachen.

Ik wip mijn meegebrachte muntje de lucht in en laat het in het gras vallen. Met de aanvoerders kijk ik omlaag, maar nog voor ik kan bukken, bukt Jasper al. Hij laat het geldstuk liggen, hij heeft iets anders gezien. Jasper klemt zijn knuistje eromheen en holt naar de kant. „Mama!”, roept de pupil van de week. „Kijk eens wat ik heb gevonden!” Triomfantelijk steekt hij een hand de lucht in. Zijn moeder, het publiek, de spelers en de scheids kijken. Een prachtig kiezelsteentje schittert in de zon.

    • Menno Fernandes