Niet masturberen in het park a.u.b.

Wildplassen. Per telefoon luidkeels intieme details uitwisselen in een volle trein. Martijn Meijer voelt plaatsvervangende schaamte. Waarom eigenlijk?

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Ik zag eens een zwerver op een grasveld liggen, aan de rand van een druk plein. Hij bekeek een seksboekje en trok zich af in zijn slaapzak, zo leek het. Ik wendde mijn hoofd af en dacht aan Diogenes, die in de vierde eeuw voor Christus ook in het openbaar masturbeerde. Maar Diogenes was een wijsgeer: door zichzelf publiekelijk te bevredigen, demonstreerde hij zijn cynische levenshouding, als ik de verhalen moet geloven.

Volgens Peter Sloterdijk bedreef Diogenes ‘antipolitiek’. Hij schrijft in De kritiek van de cynische rede (1984) dat Diogenes zich niet neerlegde bij de ‘sociale schaamtedressuur’ van zijn tijd; hij doorbrak de ‘politiek van de zedigheid’ en toonde met zijn exhibitionistische daad ‘dat mensen zich in de regel schamen voor de verkeerde dingen, voor hun physis, voor hun animale kanten die in werkelijkheid onschuldig zijn’. Daarom poepte en masturbeerde Diogenes op een marktplein in Athene, alsof hij een hond was.

Wat de Griekse wijsgeer deed, was dus niet kinderlijk of dierlijk, dus regressief, maar juist progressief, volgens Sloterdijk. Diogenes verzette zich namelijk tegen de ‘politieke deugdzaamheidsdressuur van alle systemen’. Mij klinkt dit al te toegeeflijk in de oren. Sloterdijk was ongetwijfeld begeesterd door de grenzeloze tolerantie van de late jaren zeventig toen hij deze woorden schreef. Inmiddels hebben we gemerkt waartoe te veel vrijheid kan leiden: tot schaamteloos gedrag in de openbare ruime. Nu wildplassen en exhibitionisme niet langer voorbehouden zijn aan filosofen en zwervers, maar tot het vaste repertoire behoren van de massa’s die zich op nationale feestdagen tegen elke prijs willen uitleven, lijkt de ouderwetse ‘schaamtedressuur’ zo gek nog niet.

Vieze zwerver of wijze man?

Wat is nu eigenlijk het verschil tussen Diogenes, die zich beestachtig gedroeg op het marktplein, en een voetbalsupporter die in het openbaar staat te urineren? Was Diogenes eigenlijk een vieze zwerver, die alleen afschuw en schaamte opriep bij zijn stadgenoten, of was hij toch een wijze man, die de mensen er graag aan herinnerde dat ze aangeklede dieren waren? Ik denk dat Diogenes allebei was – we kunnen ons beeld van hem immers vormgeven zoals het ons goeddunkt. Daarom vertellen de portretten van historische figuren vaak meer over de persoon die ze geschreven heeft.

Interessanter dan de vraag wie Diogenes was, vind ik de vraag waarom zijn gedrag schaamte oproept. Waarom schaam ik me als ik een man zie die op een grasveld de hand aan zichzelf slaat? Zou het zijn omdat de seksualiteit op zo’n moment gereduceerd wordt tot haar banale essentie? Zou het zijn omdat ik me dan schaam voor mijn eigen dierlijkheid, alsof de onanist me een spiegel voorhoudt?

Ik denk dat het om iets anders gaat. De man op het grasveld gaat helemaal op in zichzelf. Hij is zozeer in de greep van zijn genot dat hij geen schaamte meer voelt tegenover de mensen die hem gadeslaan. Misschien bestaan de anderen niet eens meer voor hem. Hij bevindt zich te midden van de mensen, maar is toch onbereikbaar voor hen geworden. Zij negeren hem, zoals ze een dronkaard zouden negeren; misschien omdat ze beseffen dat hij niet langer als mens aanspreekbaar is.

Van een filosofische demonstratie is in dit geval geen sprake. Ik zie iemand die is afgegleden naar een toestand van dierlijkheid en dat prikkelt op de een of andere manier mijn schaamtegevoel.

De man op het grasveld is een ontspoorde solipsist: iemand die denkt dat alle andere mensen slechts bestaan als voorstelling in zijn bewustzijn. Hij leeft helemaal alleen in zijn eigen wereld. Een ‘redelijke’ solipsist houdt er tenminste rekening mee dat er eventueel toch andere mensen buiten zijn bewustzijn bestaan; hij neemt het zekere voor het onzekere en houdt zijn fatsoen als hij buitenshuis is. Terwijl een ontspoorde solipsist er absoluut zeker van is dat hij alleen is, of het kan hem niet schelen als er onverhoopt toch anderen zijn, wat me allebei laakbaar lijkt. Zo’n figuur kent geen schaamte omdat hij de blikken van anderen niet voelt. Overal waar hij komt, doet hij net of hij thuis is.

Onaantastbare zelfgenoegzaamheid

Publieke masturbatie is natuurlijk een extreem voorbeeld van ontspoord solipsisme. Er zijn echter ook andere voorbeelden in deze categorie, die we dagelijks aantreffen als we naar buiten gaan: mensen die in het openbaar ruzie maken, vrijen, slapen, braken en plassen, kortom mensen die gedrag vertonen dat in de privésfeer thuishoort. Zulke mensen voelen zich onaantastbaar in hun zelfgenoegzaamheid; ze kunnen niet meer geraakt worden door de reacties van andere mensen. Hooguit worden ze kwaad als iemand ze aanspreekt en terechtwijst, want dan dreigt hun wereld door een ander verstoord te raken.

Zoals ik me schaam voor de zwerver die openlijk masturbeert, zo schaam ik me ook voor de dronkenlap die slingerend over straat loopt, of voor de vrouw die in de trein een intiem gesprek voert door haar mobiele telefoon. Ik schaam me omdat zij zich niet langer schamen – dat heet ‘plaatsvervangende schaamte’, alsof de plaats waar schaamte ontbreekt werkelijk wordt opgevuld door schaamte die van elders komt.

Ik schaam me omdat deze mensen de meewarige en beschaamde blikken niet zien waarmee ze bekeken worden. Ik schaam me, concludeer ik, omdat ze verwerpelijk zijn in de ogen van anderen – iets wat ik blijkbaar moeilijk kan verdragen. Misschien omdat ik zelf bang ben om de risee te zijn zonder dat ik dat besef?

Ik denk dat mijn schaamte vooral voortkomt uit het gevoel dat ik deel uitmaak van een sociale orde. Een inbreuk op die orde is voor mij zo onverdraaglijk dat ik me schaam en de behoefte krijg om de overtreder te corrigeren. Er schuilt blijkbaar een politieagent in mij – iets waar ik me voor zou kunnen schamen als anderen dat te weten zouden komen. Natuurlijk heb ik me ook weleens asociaal gedragen, maar dan herinnerden vreemde ogen me eraan dat ik niet alleen op de wereld ben. Veel beter dan een beveiligingscamera is de blik van de ander in staat me bewust te maken van mijn gedrag.

Het zou ook kunnen dat ik me schaam voor mensen die zich laten gaan omdat ik me innerlijk verzet tegen de cynische suggestie die van hun gedrag uitgaat: dat de mens niet veel meer is dan een dier. Ik denk namelijk dat een mens meer kan zijn dan een dier, namelijk een wezen dat zijn instincten enigszins beheerst. Mijn plaatsvervangende schaamte zou dan bedoeld kunnen zijn als poging om de menselijkheid intact te houden, ook al hechten de mensen die dat gevoel bij mij opwekken daar geen enkel belang aan. Ik zou de ondergang van de beschaving ook het liefst gekleed in smoking gadeslaan.

Mijn streven naar zelfbeheersing en mijn gevoelens van schaamte worden steeds sterker naarmate anderen zich steeds minder inhouden en zich van niemand meer iets aantrekken. Zo word ik een omgekeerde Diogenes, een toonbeeld van betamelijkheid in een schaamteloze tijd.