Moederziel alleen met een handjevol Sultana’s

Voor Gerwin van der Werf (1969) moet 2010 een goed jaar zijn geweest. Hij won de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, terwijl zijn romandebuut Gewapende man in een eindejaarsbalans meteen werd genoemd als één van de beste romans die dat jaar was verschenen. Van der Werf heeft aanleg voor het in medias res neerzetten van een situatie waarbij de lezer meteen rechtop in zijn stoel gaat zitten. Zo ook in zijn derde roman Luchtvissers: ‘Ik ga het redden’, zegt zijn protagonist Joshua, ‘verdomd, ik ga het redden, ik durf het niet alleen te denken maar nu ook te fluisteren’. Hij heeft zich, zo blijkt al snel, in een huisje op het afgelegen eilandje Lundines teruggetrokken en beziet, ‘verscholen achter een muf gordijntje’, hoe de veerboot op het punt staat uit te varen.

Het zal de laatste keer zijn. De verbinding tussen het eiland en de bewoonde wereld is opgeheven. Joshua is aan zichzelf overgeleverd, en dat is nu precies wat hij wil: alleen zijn. Het eiland is voor Joshua een plek van boetedoening. Misschien is hij er zelfs, onbewust, naartoe gegaan om te sterven, want met een handjevol Sultana’s als proviand heeft hij zijn verblijf verre van gedegen voorbereid.

Na die eerste paar hoofdstukken verandert de roman snel van gezicht. Omdat je, net als Joshua, aanvankelijk denkt dat het eiland op hem na verlaten is, meen je een existentiële roman te gaan lezen die nu eens niet drijft op intermenselijk drama, maar op een blootstelling aan de barre onverschilligheid van de natuur. Maar dan blijkt al snel dat ook een paar andere mensen de laatste veerboot heeft laten varen. Luchtvissers draait dan weer ‘gewoon’ om dat samenspel tussen individuen.

Joshua treft op Lundines in die zin geestverwanten aan dat vrijwel iedereen aan het eind van z’n Latijn is. Er is de melancholische man die zijn vrouw geestelijk ziet aftakelen, en er is de van z’n geloof gevallen, suïcidale dominee die Van der Werf als volgt neerzet: ‘Quast zat achter z’n schrijftafel, zijn handen gevouwen voor zijn gezicht. Hij had de keuze: bij Markus op de koffie, of alsnog de strop om zijn nek trekken.’ Een engelachtig meisje laat Joshua ten slotte inzien dat klaar zijn met leven nog iets heel anders is dan klaar zijn voor de dood.

Luchtvissers kent kortom vele facetten, waarin even zoveel invloeden zijn te bespeuren. Er is de wrokkige onttrekkingsdynamiek van iemand als Thomas Bernhard, er zijn de zelfontledende hoofdstukjes van Coetzee, en even wordt zelfs het Kafkaëske aangestipt wanneer Joshua in aanraking komt met een, misschien wel ingebeelde, vuurtorenwachter.

Van der Werfs talent lijkt echter niet helemaal bij dit soort eclectische romans te liggen. De lasnaden zijn nog op de constructie zichtbaar en er is ook een soort energie of geestdrift die niet tot een samenballing wil komen, zodat die niet altijd evenveel bij de lezer tot stand brengt.