Menselijk drama, maar goed voor de geneeskunde

Miljoenen doden en veel meer miljoenen gewonden. In de Eerste Wereldoorlog konden artsen lang niet iedereen helpen. De enorme stroom slachtoffers versnelde wel de ontwikkeling van medische technieken.

De plastische chirurgie ontwikkelde zich snel dankzij de Eerste Wereldoorlog. Gezichten van slachtoffers werden soms ingrijpend gereconstrueerd, zoals bij bovenstaande man. De foto’s komen uit het boekArtery Flaps, over de destijds bekende plastisch chirurg J.F.S. Esser. Foto’s Hollandse Hoogte en boek Artery Flaps

De Eerste Wereldoorlog heeft de geneeskunde flink vooruit geholpen. Grote operaties, bloedtransfusies, plastische chirurgie en niet te vergeten de psychiatrie kregen een stimulans.

Die snelle ontwikkeling van de geneeskunst is een direct gevolg van het menselijk drama dat de Eerste Wereldoorlog betekende. Met 8 à 10 miljoen gesneuvelde soldaten en, meer nog, de 20 à 30 miljoen gewonden en zieken die medische zorg nodig hadden. Het zijn schattingen. Het idee is dat een derde tot de helft van de 65 miljoen gemobiliseerde militairen gewond of ziek is geweest. Of gebleven. De artsen en ziekenverzorgers aan het front kwamen er vaak ook niet onbeschadigd vanaf. Ze waren vaak zwaar overwerkt.

Nog jaren na de oorlog woonden er alleen in Groot-Brittannië al 65.000 oud-militairen in psychiatrische ziekenhuizen.

Historicus Leo van Bergen heeft ziekte en dood op de slagvelden beschreven in zijn standaardwerk Zacht en eervol (1999). Die miljoenen doden en gewonden vielen doordat de legers waren voorbereid om een oorlog in een strijd van man-tegen-man-gevecht te beslechten. Maar het tamelijk nieuwe machinegeweer bleek machtiger. Een oneindige stroom bommen en granaten deed de rest.

Het was ook de eerste oorlog waarbij de hoogste legerleiding niet zelf op het slagveld aanwezig was. De oorlog werd op afstand gemanaged. Het bevel om massaal de machinegeweren tegemoet te lopen, en de slechte bescherming tegen rondvliegende granaatscherven die van bovenaf de loopgraven in kwamen, zorgden voor de meeste slachtoffers. Die granaten waren bommen gevuld met oud ijzer. De scherven gaven fikse wonden. Vooral groot. Werd borst, buik of hoofd geraakt, dan betekende dat vaak een langzame of directe dood. Raakte de scherf een arm of been, dan was amputatie vaak de enige levensreddende oplossing. Soms deed de scherf dat amputatiewerk zelf al.

De Eerste Wereldoorlog is beroemd om andere noviteiten: gas, tanks en vlammenwerper. Maar de analyses zeggen dat die minder slachtoffers maakten dan de kogels en granaatscherven.

Voor wat ze waard zijn, die analyses, want het leed was onbeschrijfelijk en massaal. Alleen de statistiek al is onnauwkeurig. Het aantal doden, het aantal gewonden? Alles is alleen bij benadering bekend.

De helft van de gewonden was in armen en benen geraakt. Bijna eenvijfde in het hoofd. Ongeveer een kwart van die soldaten stierf aan de verwondingen.

Maar die statistiek gaat over militairen die het hospitaal haalden en daar zijn geregistreerd. Dat is zeker de minderheid van de gewonden.

Zwaargewonden bleven liggen

De gewonden bleven vaak lang onverzorgd op het slagveld achter. Van Bergen citeert een verhaal over de populaire officier Samson die gewond en kreunend buiten de loopgraaf ligt. Driemaal probeert een soldaat hem op te halen. Alledrie worden ze doodgeschoten. De vierde bereikt Samson, maar die stuurt hem terug. Hij weet dat hij snel zal sterven. Wat ook gebeurt.

Alleen medische troepen – de brancardiers – mochten de gewonden ophalen. Hoeveel gewonden stierven zonder enige medische hulp is onbekend. Er zijn schattingen dat maar een kwart van de gewonden in een hospitaal terechtkwam.

De brancardiers lieten zwaargewonde soldaten die niet meer waren te redden, liggen. Namen ze die toch mee dan kregen ze van de artsen de wind van voren. De meeste legerartsen zagen het als hun taak om gewonden weer geschikt te maken voor de frontdienst. Ook hier zijn de cijfers schaars, maar Van Bergen citeert bronnen die concluderen dat 90 procent van de gewonden minstens eenmaal terugkeerde naar de loopgraven. „Als dat cijfer klopt”, schrijft hij, „is dat het cynische resultaat van de triage.”

Triage, dat is het selectieproces om schaarse hulp te optimaliseren voor het gewenste resultaat. In het eerste veldhospitaal selecteerden de medici op ‘sterven’, ‘kan terug naar het front’, of ‘ongeschikt voor frontdienst, maar wel te redden’. De eersten werden terzijde gelegd, de tweede categorie werd behandeld en de laatsten gingen op transport naar verder weg gelegen ziekenhuizen.

De artsen aan het front zagen nieuwe ziekten: de loopgraafvoet. Die is dik, rood of blauw en gaat soms ontsteken, waarna het gasgangreen op de loer ligt. Dat is de langzaam in afstervend weefsel voortwoekerende bacteriegroei. Slechte kleding, kou en vocht en slechte doorbloeding, zijn de oorzaak.

Of loopgraafkoorts, met schietende pijn in de schenen en een paar dagen flinke koorts. De ziekte heette ook reuma, vijfdagenkoorts of wisselkoorts. Het was waarschijnlijk vlektyfus, overgebracht door luizen. Sommige legerartsen vonden dat soldaten de ziekte simuleerden. Om aan de loopgraaf te ontsnappen. Iedere legerarts ziet simulanten, maar de een ziet er meer dan de ander. Er waren militairen die blij waren met een Heimatschuss, of zichzelf zo’n bonne blessure bezorgden, om naar huis te kunnen. Die zichzelf in de hand schoten.

De grootste problemen ontstonden rond de patiënten die niet meetbaar of zichtbaar ziek waren. Ook nu is dat in de verzekerings- en bedrijfsgeneeskunde een bron van conflicten.

Het makkelijkst was misschien nog het soldatenhart, ook een nieuwe ziekte. Uitgeput, kortademig, duizelig en hartritmestoornissen waren de verschijnselen. Wat was het? Gebrek aan rust? Een onbekende infectie? Te grote lichamelijke inspanning?

De Britten gebruikten de diagnose soldatenhart om mensen op eervolle wijze naar huis te sturen. Geschiedschrijvers zien een klasseverschil. Mensen met een opleiding of uit goede familie, officieren, die hadden vaker zo’n soldatenhart.

Plastische chirurgie

Vanaf eind 1917 deden de Amerikanen mee aan de oorlog. Die kenden het soldatenhart uit hun burgeroorlog die van 1861 tot 1865 woedde. Die oorlog was een generale repetitie voor de Eerste Wereldoorlog. De voorlopers van machinegeweren verschenen er – uitvinder Richard Gatling dacht dat legers voortaan met minder mensen toe zouden kunnen, wat anders uitpakte. ‘Angstneurose’, noemden de Amerikaanse artsen het soldatenhart. Daarmee stapten ze in het mijnenveld van psychiatrische ziekten. (zie kader)

Na de oorlog maakten de artsen de balans op. Op de niet-aflatende stroom gewonden waren veel nieuwe medische technieken uitgeprobeerd. En in de jaren erna werd nog steeds veel nieuws geprobeerd. Soms werkten die en veroverden ze hun plaats in de geneeskunst. Het duidelijkst zichtbaar is dat voor de plastische chirurgie. Er waren duizenden overlevenden met half-weggeschoten gezichten. Veel technieken in de reconstructiechirurgie zijn tijdens en vooral in de jaren na de Eerste Wereldoorlog ontwikkeld. Een rij plastische chirurgen is er beroemd door geworden. Veel mannen kregen weer een gezicht, maar ze waren over het resultaat vaak minder tevreden dan de artsen.