Mario Draghi laat zich niet dwingen

Geen renteverlaging, geen experimenten. De ECB weerstaat de druk om Angelsaksisch te gaan.

Foto Reuters

Er was zijdelings rekening gehouden met vuurwerk uit Frankfurt, maar uiteindelijk hield de Europese Centrale Bank haar kruit droog. Het bestuur van de centrale bank besloot gisteren de rentes niet verder te verlagen, laat staan een uitzonderlijk monetair beleid te initiëren zoals dat in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Japan wordt gevoerd met het opkopen van staats- en hypotheekobligaties.

De stemming in de dealingrooms, met name die in Londen, zakte terstond in. En veel posities die uitgingen van een euro die goedkoper (lagere rente) of talrijker (een geldvloed) zou worden, stonden opeens scheef. De reactie op de financiële markten was dan ook heftig: van de weeromstuit steeg de euro juist, met een vol procent tegenover de dollar tot 1,386 dollar per euro.

Het tekent het perceptieverschil dat nog steeds heerst tussen wat de Angelsaksische en de continentale monetaire traditie genoemd kan worden. De ECB wordt in Londen traditioneel gezien als de centrale bank die het niet snapt. In Frankfurt wordt de bravoure van het Angelsaksische beleid juist vaak aan de gevaarlijke kant gevonden. En omdat de Engelstalige wereld over het algemeen het discours op de financiële markten overschreeuwt, kunnen er van tijd tot tijd misverstanden ontstaan: de ECB handelde gisteren niet zoals zij had gemoeten – volgens de City, dan.

Econoom Carsten Brzeski van ING vatte het gisteren pakkend samen: „Een veelgemaakte fout van analisten is te zeggen wat de ECB moet doen, en niet wat zij gaat doen.” De wens was, kortom, even de vader van de gedachte.

Topman Mario Draghi van de ECB gaf gisteren de voornaamste reden voor het uitblijven van uitzonderlijke stappen. De inflatie in de eurozone bleef in februari staan op 0,8 procent, net als in januari. Dat is laag, en dichtbij de gevarenzone. Deflatie, het dalen van de prijzen over een langere periode, is een schrikbeeld voor de economie van de eurozone, die ondermaats groeit en met schulden beladen is. Maar Draghi presenteerde ook de prognoses van de ECB tot in 2016. Daarin gaat de centrale bank ervan uit dat de inflatie gestaag weer oploopt tot 1,5 procent in dat jaar, met aan het einde zelfs 1,7 procent. Dat is dichtbij het officiële inflatiedoel van de ECB van 2 procent of iets daaronder.

Bovendien, stelde Draghi, had onderzoek uitgewezen dat de sinds begin 2012 gedaalde inflatie voor tweederde te wijten is aan de val van de grondstoffenprijzen, deels versterkt door de inflatieval die is veroorzaakt door de gestegen koers van de euro.

Zo inheems, wilde Draghi maar zeggen, is de val van de inflatie in de eurozone niet. Dat betekent niet dat er geen grote problemen zijn. Er zit nog veel overcapaciteit in het bedrijfsleven. En hoewel de fragmentatie van de kredietverlening in de eurozone aan het afnemen is, zijn de verschillen in kredietvoorwaarden tussen noord en zuid nog groot. Daar staat tegenover dan weer het goede nieuws dat de renteverschillen op staatsleningen binnen de eurozone blijven afnemen en dat de economische groei aantrekt.

De afweging vertaalde zich gisteren in de toezegging dat de rente ten minste zo laag zal blijven als hij nu is – en dus wellicht een laatste stapje naar beneden kan vanaf de huidige 0,25 procent. Maar verdere experimenten met het monetaire beleid leken gisteren uitgesloten. Daar is een nieuwe economische terugval voor nodig. Draghi wilde zich niet uitlaten over de crisis in Oekraïne (‘te ingewikkeld voor een bescheiden centrale bankier’). Maar hij waarschuwde wel dat de economische gevolgen daarvan op de korte termijn weliswaar te overzien zijn maar ernstig kunnen worden als de crisis lang aanhoudt.

Vooralsnog gaat het de ECB er om de rente langdurig laag te houden terwijl de inflatie alweer oploopt. Dat betekent dat de zogenoemde reële rente (rente minus de inflatie) negatief blijft en steeds negatiever wordt. En dat moet een stimulans zijn voor de Europese bedrijvigheid.

Op de financiële markten was het enthousiasme niet groot. De reactie van de euro, die steeg tegenover de dollar, was méér dan symbolisch. Mocht de munt verder omhoog worden gespeculeerd, dan gaat dat ten koste van de economische groei in de eurozone, en drukt het via lagere invoerprijzen toch de inflatie. En dan krijgt de City misschien toch nog wat zij wil.

    • Maarten Schinkel