Hustle and bustle

‘Pretendeer nooit te weten wat het echte Amsterdam is en wie de echte Amsterdammers zijn”, waarschuwde een bevriende columnist. Het leek me een goeie tip en levenshouding en bovendien een hele opluchting, want ik weet het ook daadwerkelijk niet. Als ik een marktkoopman op de Albert Cuyp hoor zeggen – zingen eigenlijk: „Drie mango’s een eurootje omdat de son so heeelijk schijnt vandoag!” betwijfel ik niet zijn specifiek Amsterdamse inborst, maar Amsterdam is natuurlijk méér. Een marktkoopman kan ‘lekker authentiek’ zijn, maar de PC Hooftstraat is net zo goed een Amsterdamse realiteit, evenals het winkelcentrum op het Buikslotermeerplein. In columns kan je steeds maar in kleine porties beschrijven hoe de stad op jou overkomt. Je hoopt dat mensen soms iets herkennen, je gaat er maar vanuit dat dat vaak niet zo zal zijn. Ieder z’n eigen stad.

Ik moest hieraan denken toen ik een paar dagen geleden ineens op de hoek van de Bloem- en de Prinsengracht tegen een galerie aanfietste waar ‘Amsterdam Streets’ op stond. ‘Amsterdam’ is mijn triggerword tegenwoordig, dus ik nam een kijkje. Binnen las ik op een bordje: „We are Amsterdam Streets. A collective of photographers who capture moments that usually go unnoticed in the hustle and bustle of city life. Indirectly documenting the here and now. AmsterdamStreets.com provides a platform to photographers who marvel about the reality of everyday life in Amsterdam.” Ik had nog geen foto gezien, maar ik was al blij dat ik deze tekst had gelezen. Oké, het was jammer dat het er alleen in het Engels stond, maar dat „hustle and bustle” (grofweg: de hectiek, de drukte) klinkt lekker, dat „indirectly” in combinatie met dat „the here and now” vind ik mooi en dat „marvel”, het „zich verwonderen over de realiteit van het dagelijks leven in Amsterdam”, is precies iets wat ik ook wil doen. Ik weet bijna zeker dat enkele foto’s die daar hingen beelden bevatten die ook in uw hoofd zouden kunnen opkomen als u denkt aan dagelijkse dingen in uw stad: mensen op terrasjes, toeristendrommen op het Damrak, iets met duiven. Maar toch. Dit waren geen afgezaagde ansichtkaarten, maar luikjes waar doorheen je met een frisse blik naar iets vertrouwds keek: een viezige zwaan tussen een rij slordig geparkeerde fietsen – ik had het niet kunnen bedenken, nu dacht ik: o ja! Haastende mensen op het Centraal Station. Klinkt als een geschikt plaatje voor een Amsterdamkwartetspel, maar dat één van die mensen twee blauwe vuilniszakken draagt waar onderdelen van een etalagepop uitsteken, dát maakt het zo’n mooie foto. Slepen mensen in Tokyo dan nooit iets raars mee? Of in Parijs? Het zal heus, maar dat blauwe inlichtingenbord op de achtergrond, dat rare tegelpatroon op de grond waar ik als kind neurotisch wel of niet op mocht lopen van mezelf, dat herken je dan weer uit duizenden als een stuk van je stad.

Of de foto van een jongetje met een pistool. Hij lijkt te schreeuwen. Ook al kijkt hij nog zo overtuigend, je ziet toch dat het geen kindsoldaat uit Burundi is. De tram die langs hem rijdt met het suffe blauwe GVB-logo stelt gerust. We zijn gewoon in Amsterdam, met een klappertjespistool. Niks aan de hand.

Herkenbaar en vervreemdend. Dan weet je de stad toch wel verdomd goed te treffen.